Er moet seks in de performance zitten

Ruben Block speelt met zijn band Triggerfinger graag een mooi liedje na een bak herrie.

„Geilheid, gemeenheid en adrenaline. Dat wil ik voelen bij een concert.”

„Blues is de oervorm. Iedereen zit vast aan dat ene beperkte mechaniekje. Dan is intensiteit het enige waarmee je je kunt onderscheiden. Daarom krijg ik een stijve als ik Bunker Hill hoor, en niet als een ander precies datzelfde schema speelt. Dat komt door de performance. Daar moet seks inzitten. Dan maakt het niet uit hoeveel Marshall-torens of basdrummen je er nog tegenaan gooit.”

‘The loudest band in Antwerp’ – zo liet Triggerfinger, de band van zanger-gitarist Ruben Block (36), zich op hun vorige live-album Faders Up aankondigen. En ook op het onlangs verschenen What Grabs Ya? vermengt de band het beste van Queens of the Stone Age, Led Zeppelin en Deep Purple tot zwoele en zompige stonerrock. Maar dan, na negen buldernummers is daar opeens die hartverscheurende bluesballad: No Teasin’ Around van Billy ‘The Kid’ Emerson.

„Dat hebben we doelbewust gedaan. Het is een heel mooi liedje, ook om live te spelen. Het is goed om na een hele grote bak herrie even door de muur van lawaai heen te breken.” Vandaar dat het debuut Triggerfinger uit 2004 eindigde met Au Suivant van Jacques Brel en de live plaat met Angelene van PJ Harvey.

„Bij dat soort nummers luister ik altijd of ik er voor mezelf een arrangement in hoor. Toen we in de studio de plaat opnamen, moest een technicus tussendoor microfoons verzetten. Ik liep wat over de gang en speelde No Teasin’ Around op mijn witte akoestische gitaartje: Blancheke geheten. Die gang was L-vormig en had een schitterende natuurlijke galm. Ik dacht: kunnen we niet gewoon hier opnemen? Ik ben aan het lange uiteinde gaan staan, met in de andere hoek een versterker. Waar de twee benen van de L elkaar ontmoeten, stond een microfoon. We hebben drie opnames gemaakt. De eerste take was de beste.”

Block kende het nummer van een compilatie van bluesartiesten van het legendarische Sun Records, het label van Sam Philips die onder meer Elvis Presley, Jerry Lee Lewis, Johnny Cash en Roy Orbison onder zijn hoede had. Voor Elvis zou Billy ‘The Kid’ Emerson (1929) nog When It Rains It Really Pours schrijven, maar zijn voornaamste succesje was het nummer Red Hot. „Het mooie is dat hij niet een van de groten is geworden. Ik ken zijn verhaal ook niet precies. Uit de jaren dertig, veertig en vijftig zijn nog zoveel goede artiesten onbekend gebleven.

„Als je in een band als Triggerfinger speelt, denkt iedereen dat je alleen maar naar AC/DC luistert. Ik heb mijn muziekstijl gevonden toen ik skater was. Iedereen nam cassettebandjes voor elkaar op. Hardcore, punkrock, Public Enemy, psychobilly; het bracht allemaal hetzelfde teweeg. Ook Howlin’ Wolf hoorde ik via die cassettes voor het eerst. Ik kreeg een mot op mijn bakkes. Zo’n fantastisch stemgeluid, dat was nog ruiger dan een gitaarversterker. Eén brok geilheid, gemeenheid en adrenaline. Dat is wat ik wil voelen bij een concert – of ik er nu naar kijk, of het zelf geef. Maar dat vergeten heel veel van die jonge, hippe bandjes van nu.”

Triggerfinger treedt op: 6/7 op Metropolis Rotterdam. De cd What Grabs Ya? is verschenen bij Excelsior.