En de Koran werd ingepolderd

In zijn Koranbewerking probeert Kader Abdolah didactiek en soefisme te mengen.

Het levert een danig verpolderde Mohammed op.

Enige ironie spreekt er wel uit: Kader Abdolah, een zelfverklaard marxistisch atheïst, die in de jaren tachtig uit de islamitische republiek Iran naar Nederland is gevlucht, voelt zich door de gebeurtenissen rond 11 september en door de overspannen Nederlandse islamdiscussie gedwongen zich uit te spreken over wat er mooi en waardevol is aan de islamitische traditie. Het resultaat van deze ironie is een tweeluik, bestaande uit een vrijzinnige en bekorte vertaling van de Koran, en uit een geromantiseerde biografie van de profeet.

Een Reader’s Digest versie van de Koran, die met dichterlijke vrijheid is vervaardigd: het klinkt gewaagd. Maar omdat de Koran volgens gelovigen onvertaalbaar is, is elke vertaling in feite al een interpretatie ervan. Abdolah’s interpretatie wijkt echter op enkele punten duidelijk af van gangbaarder versies. Om te beginnen rangschikt hij de soera’s of hoofdstukken van de Koran niet op de kanonieke manier, maar in de volgorde waarin ze vermoedelijk aan Mohammed zijn geopenbaard. Zo maakt hij ook de stilistische en inhoudelijke ontwikkeling van de openbaringen zichtbaar. De vroegste soera’s, die Mohammed volgens de overlevering in Mekka heeft ontvangen, zijn poëtisch en soms duister; ze roepen de mensen dikwijls op om niet op hun macht of rijkdom te pochen, en de goddelijke almacht te vrezen. De latere verzen, geopenbaard toen Mohammed in Medina de wereldse macht had verworven, zijn vaak concreter en ‘wereldser’: ze vaardigen specifiek geboden en verboden uit, of ze roepen op tot strijd.

Een ander kenmerk van Abdolah’s visie is dat hij ervan uitgaat dat Mohammed kon lezen en schrijven. In geheel multiculturele stijl betoogt hij voorts dat de profeet vooral tot zijn werk kwam door contact met andere culturen en beschavingen, en door het lezen van andermans boeken. Met andere woorden, Abdolah’s Mohammed is geen profeet die religieuze openbaringen ontvangt, maar een schrijver die naar inspiratie zoekt.

Deze geseculariseerde visie beheerst Abdolah’s visie op leven en werk van de profeet. Specifieker geeft hij een Iraans-geïnspireerd en literair gevormd beeld van de Islam. Zo geeft hij Arabische woorden in een zelfverzonnen Perzische transcriptie weer: de veelgehoorde bismillah al-rahman al-rahim, die vrome moslims prevelen bij het aanvangen van een examen of het starten van hun auto, wordt bij hem tot besmellahe rahmane rahim. Gewoonlijk wordt deze spreuk vertaald als ‘in de naam van God de genadige en barmhartige’ maar Abdolah maakt ervan: ‘in de naam van Allah/Hij is lief/Hij geeft/Hij vergeeft.’ Die weergave, en met name dat lief, lijkt gewaagd en ketters. Jeremiades over de gevaren die Abdolah er wel niet mee zou lopen waren niet van de lucht. Maar in feite sluit hij aan op een lange traditie van het soefisme, ofwel de islamitische mystiek, waarin God tegelijkertijd als liefhebbend en als geliefde wordt voorgesteld. Abdolah verklaart dat zijn eigen vertaal- en vertelwerk hier gedreven is door liefde. Zo zoekt hij overduidelijk aansluiting bij de Perzische literaire traditie van dichters als Roemi, Hafez en Nizami, die diepgaand door het soefisme met zijn beeldspraak van wijn, licht en liefde is beïnvloed.

Met andere woorden: Abdolah’s ambities zijn niet zozeer maatschappelijk, politiek of religieus van aard, maar zuiver literair. Zijn vertaalwerk drukt een soortgelijke verhouding tot de islam uit als je bij bijvoorbeeld Jan Wolkers of Maarten ’t Hart vindt ten aanzien van het protestantse christendom. Allen zijn in hun jeugd afgevallen van het geloof der vaderen en tot verklaard atheïst geworden; en al uiten ze felle kritiek op religieuze gezagsdragers die menen zich met andermans leven te mogen bemoeien, toch hebben ze allemaal een blijvende liefde voor de beelden en verhalen die in de traditie zijn vervat. Zelf omschrijft Abdolah de taal van de Koran als ‘goddelijk proza’: voor hem is de veelgeroemde onimiteerbaarheid van de Korantaal geen teken van een goddelijke oorsprong, maar een literair wonder. Zijn literaire insteek wordt daarmee duidelijk: de inlijving van de Koran en het leven van de profeet bij de Nederlandse literatuur.

De Koran als literaire tekst, die literaire interpretatie behoeft: opmerkelijk genoeg duidt de Korantekst zelf al aan dat interpretatiewerk nodig is (dat staat bijvoorbeeld al in soera 3.7). De vraag is dan natuurlijk welke verzen eenduidig zijn, en welke meerduidig. Vandaag de dag is het onderscheid tussen eenduidige en meerduidige verzen van cruciaal belang, niet alleen voor Abdolah’s eigen Koranuitleg, maar algemener voor hedendaagse pogingen om de islam opnieuw te definiëren. Dat maakt het des te verbazingwekkender dat hij soera 3.7 helemaal uit zijn vertaling heeft weggelaten.

Wat verder opvalt als je Abdolah’s vertaling leest, is hoe zelden de Koran eigenlijk gewag maakt van ongelovigen, en hoeveel vaker christenen en joden worden aangemerkt als ‘volken van het boek’, die een deel van de enige ware, monotheïstische openbaring hebben ontvangen. Bovendien wordt binnen deze volken nog een onderscheid gemaakt tussen gelovigen en ongelovigen. De ongelovige joden zijn blijkbaar degenen die de Torah, ofwel hun eigen openbaring, hebben afgewezen, of zoals soera 62.5 het plastisch uitdrukt: ‘het verhaal van hen aan wie de Tora is gegeven en van hen die haar niet naleven, is gelijk aan het verhaal van een ezel die boeken draagt.’ Abdolah voegt hieraan toe: ‘De ezel weet ook niet wat hij draagt,’ wat niet in de Korantekst staat. Misschien probeert hij hier iets te hard om de suggestieve kracht van de oorspronkelijke beeldspraak weg te nemen. Dit vers kan echter evengoed uitdrukken dat de Torah slechts als een zware last wordt ervaren door ongelovige dragers, die er de zin en waarde niet van begrijpen.

Abdolah’s levensverhaal van de profeet heeft, behalve zijn literaire vormgeving, niet veel nieuws te bieden ten opzichte van de al bestaande en in het Nederlands beschikbare biografieën. Abdolah’s profeet lijkt vooral op een Overijsselse familievader met een kantoorbaan. Mohammeds Mekka is meer een polderprovincie dan een woestijnstad. Het enige wat eraan ontbreekt is dat Abdolah de profeet zich op de fiets laat rondbewegen.

Abdolah vervalt dus niet zozeer in stereotiepe oriëntalistische voorstellingen over het mysterieuze oosten vol geurige bazaars, sensuele vrouwen en spirituele mannen; zijn Mohammed is juist oer-Nederlands. In zijn Koranvertaling wordt die vernederlandsing of inpoldering zichtbaar door de figuurtjes van tulpen, klompen en regenbuien tussen de soera’s; in De boodschapper wordt de profeet geplaatst in een milieu dat wel heel erg lijkt op het moderne en multiculturele Nederland, inclusief de Hollandse bedrijfscultuur en gezinsverhoudingen. Zo ontvangt Mohammed hier zijn eerste openbaring na een echtelijke ruzie met zijn vrouw Ghadiedja.

Het is de vraag of Abdolah hier niet het religieuze en mystieke kindje met het inpolderingswater wegpompt. Juist omdat hij zo vervuld is van zijn didactische missie om Mohammeds politieke carrière te schetsen, verdwijnt het aspect van mystieke liefde en van de profeet als spiritueel wezen teveel naar de achtergrond. Abdolah mag dan zelf niet helemaal geslaagd zijn in zijn poging om de Islam, zijn God en zijn profeet als bron en object van liefde op een literair overtuigende manier gestalte te geven, hij maakt wel de weg vrij voor zo’n onderneming. Om het met een profetisch beeld uit te drukken: ook Mozes wees de weg naar het beloofde land zonder er zelf binnen te kunnen treden.

Lees enkele fragmenten via www.degeus.nl

Kader Abdolah: De Koran, een vertaling en De boodschapper, een vertelling. De Geus, 382 blz., € 39,90