Dieren met slurf of sabeltand huizen onder zee

De Noordzee was miljoenen jaren geen zee maar een laagvlakte. Opgeviste fossielen laten zien hoe het mammoetleven zich er ontwikkelde, van bos naar kille steppe.

Een 250 kilo wegende schedel van een wolharige mammoet wordt opgevist door vissers voor de kust van Zuid-Holland. De schedel staat met honderden andere vondsten in de ‘Kleine Encyclopedie’. Foto Wim van Vossen Vossen, Wim van

Michiel van Nieuwstadt

Tussen Hoek van Holland en Harwich strekte zich de afgelopen miljoenen jaren doorgaans niet de Noordzee uit. In die periode, van de ijstijden, was het een gigantische laagvlakte.

Aan het begin van het Pleistoceen, 2,5 miljoen jaar geleden, lag er tussen Nederland en de Britse eilanden nog een tropisch bos met apen en tapirs. Later ontstonden er uitgestrekte graslanden doorsneden door superrivieren en soms lag er ten noorden van het huidige Kanaal een poolwoestijn. Aan het einde van de laatste ijstijd (13.000 jaar geleden) ontwikkelde zich een open bosgebied en met het smelten van de ijskappen kwam uiteindelijk de zee weer binnen.

In de Kleine encyclopedie van het leven van het Pleistoceen, eind april in Leiden gepresenteerd, beschrijven Nederlandse experts de excentrieke diersoorten die op de bodem van de huidige Noordzee hebben geleefd gedurende de ijstijden. Er waren sabeltandkatten, holenleeuwen, reuzenherten, Etruskische neushoorns, kortsnuithyena’s, reuzenmuskusossen, steppewisents en de meest uiteenlopende slurfdieren.

De Noordzeebodem ligt bezaaid met hun restanten. Alleen al tussen 1997 en 2001 zijn er uit de Noordzee 57 ton botten en ruim achtduizend mammoetkiezen of fragmenten daarvan opgevist. Die getuigen van wolharige mammoeten, bosolifanten en mastodonten met door het gras slepende slagtanden – haast twee keer zo lang als die van de Afrikaanse olifant.

In zijn voorwoord bij het boek noemt hoogleraar vertebratenpaleontologie Jelle Reumer (Universiteit Utrecht) de Noordzee een van ’s werelds belangrijkste vindplaatsen van fossiele zoogdieren.

Die kwalificatie is dan vooral van toepassing op de aantallen fossielen en niet zo zeer op de wetenschappelijke waarde ervan. „Bloembollen en mammoetkiezen, dat zijn onze belangrijkste exportproducten”, grapt mede-auteur John de Vos, als paleontoloog verbonden aan het natuurhistorisch museum Naturalis.

Dat de wetenschappelijke publicaties in de afgelopen eeuwen bij de fossielenovervloed zijn achtergebleven komt in de eerste plaats doordat getijdenstromen op de Noordzeebodem steeds nieuwe geulen en banken hebben gecreëerd. De fossiele resten van deze bijzondere dierentuin zijn hopeloos door elkaar gehusseld.

De Vos: „Mensen zeiden altijd dat je niks kon met die fossielen uit de Noordzee, omdat we niet wisten waar ze vandaan komen.” Om te weten wat ze nu eigenlijk gevonden hadden – en uit welke tijd – moesten de Nederlandse fossielenjagers te rade op vindplaatsen in Frankrijk, Italië of in de Siberische permafrost: de spectaculairste mastodonten uit de Oosterschelde heten ‘mastodonten van Auvergne’.

Na een paar eeuwen fossielen jagen op de visafslag – en een beperkt aantal speciale visexpedities – zijn er een paar grote lijnen ontdekt in het leven op deze ‘Serengeti van de IJstijden’. Het lijkt erop, zo concluderen de acht auteurs van de Encyclopedie „dat zich in onze streken een heuse evolutie van de mammoeten heeft afgespeeld”.

In het vroege Pleistoceen domineerden de (boom)bladeters, maar uiteindelijk werd de mammoet een grazer. Op de zeebodem is deze evolutie in de tijd stap voor stap te volgen. De oudste afzettingen zijn te vinden in de Oosterschelde (Vroeg-Pleistoceen en ouder). De mammoetresten die daar gevonden zijn, waren ‘zuidelijke mammoeten’, bewoners van open parklandschappen.

Die zuidelijke mammoet duikt ook op in Het Gat (Midden-Pleistoceen), een veertig meter diepe put op een kleine honderd kilometer ten westen van IJmuiden. Iets ten westen van Het Gat, op de Bruine Bank, worden juist vooral fossielen gevonden van enkele tienduizenden jaren oud (Laat-Pleistoceen). De mammoetbotten die daar veel opgevist worden, zijn dan ook van een andere soort, de ‘wolharige mammoet’: die was bij uitstek een grazer, die in kuddes leefde in koude gebieden.

De koude, droge, maar grasrijke steppe die het leven in het zuidelijk Noordzeegebied domineerde, bestaat vandaag de dag eigenlijk bijna nergens op aarde meer, vertelt De Vos. Met het ecosysteem verdween aan het einde van de laatste ijstijd ook de mammoet en de wolharige neushoorn. Op de Afrikaanse savannes vinden we tegenwoordig alleen nog hun op warmte ingestelde verwanten.

Kleine encyclopedie van het leven van het Pleistoceen. Dick Mol, John de Vos e.a. Hardcover 240 pagina’s; Veen Magazines.