Bovenal uit solidariteit

Filmrecensent Peter van Bueren ging voor zijn krant in mei 1968 voor het eerst naar het filmfestival in Cannes. De anderhalve dag met de trein er naar toe ging nog wel maar terugkomen in Nederland koste meer moeite.

Mei ’68 was voor mij vooral Cannes, waar ik toen voor het eerst kwam, voor het dagblad De Tijd. Anderhalve dag met de trein en niemand wist het als ik vroeg: „Savez-vous ou est le festival du cinema?” Zoekend op de boulevard werd ik op de rug getikt door Cees Doolaard van Het Parool: „Je loopt nu met me mee, ik zeg je waar het allemaal is en verder wil ik je niet meer zien.”

Doolaard was met zijn oude Kever, die hij rond middernacht op de stoep van Le Petit Carlton parkeerde. Op de hoedenplank lag een schaakbord en tegen een uur of twee vroeg hij of iemand een potje wilde schaken. In een café tegenover het station schoot een ober toe en reikte Cees een sleutel aan, waarmee deze een kastje opende waarin de schaakstukken lagen van de kampioen van de Côte d’Azur, die door hem ooit op een kasteel was verslagen. Je moest wel van Doolaard verliezen, anders smeet hij het bord dwars door het café, wat me een keer overkwam.

Pagina’s kan ik volschrijven over alles wat daar gebeurde, maar het was toch vooral die zaterdag, toen de ochtendvoorstelling van Carlos Saura’s Peppermint Frappé werd onderbroken voor een ‘demonstratieve vergadering’ van Franse filmers die uit Parijs waren afgezakt om te protesteren dat cultuurminister Malraux de directeur van de Cinémathèque, Henri Langlois, had ontstagen. En ook omdat Cannes in handen was van de bourgeoisie. Maar bovenal uit solidariteit met de studenten en arbeiders, want dat waren de steeds terugkerende trefwoorden in een urenlang geschreeuw, met het hoogste woord van François Truffaut, Jean-Luc Godard (wiens bril tijdens een schermutseling van zijn neus werd geslagen) en Jean-Pierre Léaud. Jan Blokker liep er rond met cameraman Wim van der Linden om alles voor de VPRO vast te leggen, juryleden Louis Malle, Milos Forman en Roman Polanski toonden zich solidair met iedereen die solidair was. En het festival werd officieel gesloten.

Hoe nu? Alles staakte, er gingen geen vliegtuigen of treinen. Sommigen namen een taxi naar Ventimiglia in het veilige Italië, maar daar was Cees Doolaard weer. Zoals Bob Bertina van de Volkskrant in de Kip-caravan van Jan en Anneke Blokker mee mocht hobbelen, kreeg ik van Doolaard een plaats aangeboden in zijn Kever, op de achterbank ingeklemd tussen een teveel aan bagage. Naast Cees zijn ex-vrouw, tevens de zus van Roel van Duijn, die toch een paar dagen was overgekomen. We moesten via de oostgrens rijden waar af en toe nog een pomp open was en per kilometer werd duidelijker waarom het huwelijk op de voorbank was gestrand.

Het constante geruzie werd een keer door een dondervloek overtroffen toen we aan de kant van de weg Herman van der Horst zagen, de documentairemaker voor wie vergeefs de Gouden Palm voor Toccato had klaar gelegen en die nu met wapperende manen maar zonder benzine in een niemandsland stond te liften. „Godverdomme”, vloekte Doolaard, „dat nooit.” Plank gas snelde hij verder. Van de films herinner ik me weinig meer.