4 en 5 mei gaan over de historie, niet over de politiek

Staatssecretaris Bussemaker (VWS, PvdA) wil allochtonen meer betrekken bij de herdenkingen van 4 en 5 mei.

Hoezo? Laat die dagen toch eens een keer voor wat ze zijn.

Hoe onnozel kan een politicus zijn? Het voorstel van staatssecretaris Jet Bussemaker (VWS, PvdA) om meer aandacht te schenken aan de rol die allochtonen hebben gespeeld bij de bevrijding van Nederland en Europa in de Tweede Wereldoorlog, getuigt van weinig historisch besef. Zeker, er vochten veel niet-westerse militairen mee met de geallieerden, maar dat waren manschappen afkomstig uit Britse en Franse kolonies. Zij streden niet altijd mee uit overtuiging, eerder uit dwang of financiële overwegingen. Bij de bevrijding van Nederland speelden ze geen rol.

Bussemaker mag trouwens wel oppassen met het graven in het oorlogsverleden van in Nederland woonachtige allochtone bevolkingsgroepen, want dan moeten bijvoorbeeld ook de duizenden Bosnische moslims aan bod komen die dienden in de Waffen-SS-divisie Hanschar. Of dat de islamitische bevolkingsgroep in ons land op een positieve wijze meer bij 4 en 5 mei betrekt, valt te betwijfelen.

Het voorstel van de staatssecretaris is niet alleen dom, het is ook kwalijk. Bussemaker hoopt waarschijnlijk dat door de aandacht te vestigen op de negentien Marokkaanse soldaten die in Zeeland begraven liggen, allochtone jongeren in Amsterdam op de avond van 4 mei niet meer met kransen gaan voetballen. Belangrijker dan het herdenken van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en de conflicten sindsdien, is kennelijk het bewaren van de lieve vrede in de grote steden van ons land. Dat daarvoor de historische waarheid wat opgerekt moet worden, dat zij dan maar zo.

Bussemakers initiatief past in een rij van pogingen van politici Dodenherdenking en Bevrijdingsdag te kapen. Regelmatig werd er de afgelopen jaren een lans gebroken voor de Europese integratie. Alsof al die miljoenen mensen tussen ’39 en ’45 gestorven zijn opdat wij nu op het hele continent met één munt kunnen betalen.

Om 4 en 5 mei actueel en hip te houden, buitelen politici en maatschappelijke organisaties over elkaar heen met voorstellen die het karakter van de plechtigheden aantasten. De Bevrijdingsfestivals die sinds twee decennia gehouden worden, zijn een leuk dagje uit. Wie denkt dat het merendeel van de aanwezigen zich realiseert waarom het feestje op 5 mei plaatsvindt, vergist zich.

Maar ja, de jeugd moet bij de plechtigheden betrokken worden. Daarvoor gaan we graag op onze hurken zitten. Dat leidt vaak tot tenenkrommende toestanden. Ik had in 2004 het ongenoegen aanwezig te zijn bij de zestigste herdenking van de Slag om Arnhem. Vanuit de hele wereld was een groot contingent veteranen overgekomen om hun gevallen kameraden te herdenken. In een geheel met scholieren gevuld Gelredome zaten de parachutisten er verloren bij. Terwijl er volop aandacht was voor alle projecten die de Arnhemse jeugd had ondernomen rondom fraaie onderwerpen als ‘vrijheid’ en ‘tolerantie’, wijdde bijna niemand een woord aan de mannen om wie het werkelijk ging.

Dit debacle is symptomatisch voor de manier waarop we in Nederland tegenwoordig omgaan met het oorlogsverleden: het moet allemaal wel een beetje leuk blijven en iedereen mag meedoen. Voor Bevrijdingsdag valt die instelling nog enigszins te billijken, voor 4 mei is dit uit den boze.

De Dodenherdenking behoort niet toe aan wereldverbeteraars en zichzelf ontplooiende scholieren, maar aan de slachtoffers van oorlogsgeweld en hun nabestaanden. En dan met name aan die almaar kleiner wordende groep mannen en vrouwen die in de Tweede Wereldoorlog de daad bij het woord hebben gevoegd. Zij hebben hun leven gewaagd zodat wij in vrijheid kunnen bestaan. Daarvoor verdienen ze minimaal één dag per jaar onze volledige aandacht. Eén dag zonder de waan van de dag, één dag van bewuste reflectie op een conflict dat in al zijn gruwelijkheid uniek was. Eén dag zonder politieke losse flodders.

Bart Funnekotter is historicus en redacteur van NRC Handelsblad.