Voorlopig niet uitleveren aan Afghaanse veiligheidsdienst

Nederland heeft de neiging met het vingertje naar andere landen te wijzen. Maar in Afghanistan lijkt Nederland zelf rechten van gevangenen te schenden, meent Theo van Boven.

In NRC Handelsblad (29 april en in latere reacties en commentaren) is uitvoerig aandacht besteed aan de overdracht door Nederland van Afghaanse gevangenen. Een aantal van hen is mogelijkerwijs door de Afghaanse veiligheidsdienst (NDS) mishandeld.

De feiten en omstandigheden schijnen nog niet ten volle boven water te zijn gekomen, maar er bestaan voldoende aanwijzingen die duiden op mishandeling door de Afghaanse NDS van overgedragen gevangenen. Ook zouden Afghaanse gevangenen in enkele gevallen, voorafgaand aan hun overdracht aan de NDS, aan laakbaar gedrag door Nederlandse militairen zijn blootgesteld.

Hier is, zoals algemeen wordt aangenomen, het humanitaire oorlogsrecht vervat in de conventies en protocollen van Genève in het geding, maar evenzeer moet gewezen worden naar basisnormen op het gebied van de rechten van de mens. In dit verband staat in het bijzonder, waar het gaat om overdracht van Afghaanse gevangenen, het mensenrechtelijke beginsel van non-refoulement centraal. Dit beginsel houdt in dat een land geen personen mag overdragen naar een andere staat wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat zij aldaar gevaar lopen te worden gemarteld of ernstig mishandeld. Zoals het Europese Hof voor de Rechten van de Mens herhaaldelijk heeft beslist – ook ten aanzien van Nederland – valt schending van het verbod van refoulement onder schending van het absolute verbod van marteling of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Het verdrag van de Verenigde Naties tegen marteling of mishandeling, in de totstandkoming waarvan Nederland een groot aandeel heeft gehad, is op dit punt nog specifieker en bevat een speciale bepaling inzake het verbod van refoulement.

In juridisch opzicht is het van belang te weten of het mensenrechtelijk verbod van marteling of ernstige mishandeling en het daaraan gerelateerde verbod van refoulement op de conflictsituatie in Afghanistan van toepassing zijn. Hoewel de Amerikanen daarover hun eigen opvattingen hebben, kan er geen twijfel over bestaan dat, zoals genoemd verdrag van de Verenigde Naties uitdrukkelijk stelt, het verbod van marteling of ernstige mishandeling onder alle omstandigheden, dus ook ten tijde van gewapend conflict of bij terroristische dreiging, van toepassing is.

Dit geldt ook voor het verbod van refoulement, dat weliswaar in de meeste gevallen betrekking heeft op territoriale overdracht van personen van de ene staat naar de andere, maar dat ook inhoudt, zoals in Afghanistan, de functionele overdracht van personen vanuit de feitelijke of rechtsmacht van Nederland naar die van Afghanistan. Nederland draagt hiervoor een directe mensenrechtelijke verantwoordelijkheid.

Nu heeft Nederland in een ‘memorandum of understanding’ met Afghanistan de afspraak gemaakt dat overgedragen gevangenen in overeenstemming met internationale normen worden behandeld. Het Rode Kruis, de Afghaanse mensenrechtencommissie en Nederlandse diplomaten wordt toegestaan toezicht te houden op de naleving van de afspraak. Een dergelijke afspraak, ook wel aangeduid met ‘diplomatieke garanties’, is niet ongebruikelijk waar overdracht van personen aan de orde is. De praktijk blijkt echter hardnekkiger dan de leer. In vele gevallen bleken diplomatieke garanties niet meer dan loze beloften te zijn en schoot controle op de naleving ernstig tekort. Zij fungeerden in feite als dekmantel ter ondermijning van het fundamentele beginsel van non-refoulement. Mede om deze reden kwam enkele jaren geleden een groep juridische deskundigen in de Raad van Europa tot de slotsom maar geen regeling op te stellen om het instituut van diplomatieke garanties van een goedkeurend keurmerk te voorzien.

Uit de berichtgeving in NRC Handelsblad krijgt men de indruk dat Nederland nogal lichtvaardig met de problematiek van de overdracht van Afghaanse gevangenen omgaat. Ook minister Verhagen die eerder de Tweede Kamer meedeelde dat er ‘geen ernstige misstanden’ waren geconstateerd, leek zich geen grote zorgen te maken. De vraag rijst hoe deze Nederlandse benadering zich verhoudt tot de in november 2007 door minister Verhagen gelanceerde en door het hele kabinet onderschreven mensenrechtenstrategie ‘Naar een menswaardig bestaan’, waarin het absolute martelverbod als één van de speerpunten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid wordt aangewezen.

Nederland, en dat geldt in het algemeen ook voor de Europese Unie, heeft de neiging de vinger naar anderen te wijzen. Die houding is ook in genoemde mensenrechtenstrategie herkenbaar. Daar is op zichzelf niets mis mee, mits ook de eigen rol en de eigen verantwoordelijkheid nauwlettend en kritisch onder ogen wordt gezien. Dit geldt in het bijzonder wanneer sprake zou kunnen zijn van een Nederlandse medeverantwoordelijkheid met betrekking tot het verbod van marteling of ernstige mishandeling.

In ieder geval moet een voortvarend en grondig onderzoek worden ingesteld naar de feiten. De aanwijzingen van een doen of laten in strijd met fundamentele mensenrechtennormen zijn zorgwekkend.

Daarom zal Nederland er goed aan doen om lopende het onderzoek, evenals Canada, geen personen aan de Afghaanse veiligheidsdienst over te dragen. Anders zou Nederland zich wel schuldig (blijven) maken aan inbreuk op fundamentele mensenrechtennormen.

Theo van Boven is voormalig speciaal rapporteur der VN inzake marteling.