Sterke observator Voskuil „schreef met zijn oren”

Wouter van Oorschot, Voskuils uitgever: „Toen ik elf was en op vakantie ging met mijn ouders heb ik die een heel weekend niet gesproken. Ze zaten naast elkaar blaadjes van een groot pak papier af te halen en ze één voor één gefascineerd te lezen. Dat was het manuscript van Bij nader inzien, Voskuils romandebuut. Toen Voskuil de zeven delen van Het Bureau aan mij voorlegde, schrok ik wel. Hoe gaan we dit aanpakken? Maar toen hij op een dag voor de deur stond met in zijn hand twee foliemappen met daarin het eerste deel (Meneer Beerta, red.) en ik die las, was ik overtuigd. Ik ben later met de fiets twee keer op en neer naar zijn huis gereden om de andere zes delen op te halen. Toen het zo goed aansloeg, kreeg het werk iets samenzweerderigs, om zo'n omvangrijk en bijzonder project in goede banen te leiden. Voskuil had een enorm observatievermogen en kon vele personages met subtiele omschrijvingen vormgeven.”

Peter te Nuyl, regisseur van de hoorspel-versie van Het Bureau (2004-2006): „Voskuil schreef met zijn oren. Hij had een geweldig oor voor dialogen. Het Bureau bestaat uit 1,5 miljoen woorden, en de helft daarvan is dialoog. Die konden we precies zo overnemen op de radio. Hij schreef niet zomaar op wat mensen zeggen, hij hanteerde juist de ijsbergtechniek: mensen zeggen slechts één tiende van wat ze bedoelen; een groot schrijver als Vosluik benadrukt de negen tiende die ze niet zeggen.

„Het Bureau heeft een minimale dramaturgie. Andere schrijvers concentreren zich op de grote rampen in iemands leven, de katharsis, de psychologische ontwikkeling. Dat doet hij allemaal niet. Er is geen spanningsboog in de klassieke zin, het rolt maar door. De techniek van het boek lijkt meer op minimal music. Zelf schrijft hij daarover: ‘Als dit nu eens de zin van het bestaan is: het waarnemen van kleine variaties in steeds hetzelfde stukje van de wereld waar je toevallig woonde.’ Deel zeven, pagina zesentachtig.”

Gerbrand Bakker, schrijver en liefhebber van Voskuil: „Ik was één van die mensen die niet kon wachten tot er weer een nieuw deel van Het Bureau uitkwam. Ook omdat ik zelf twee jaar op dat Meertens-instituut heb rondgelopen, maar vooral omdat ik het zo magistraal vond om te lezen. Voskuil schrijft korzelig. Hij schrijft heel kaal en consequent en dat zorgt ervoor dat je als lezer wel door móét lezen.

Dat Het Bureau meer is dan alleen maar een dagboek, zie je aan zijn portret van het personage Balk. Die is in het boek een ontzettend vervelend mannetje, maar in het echt was dat een enorm vriendelijke man. Zijn roman Requiem voor een vriend vond ik trouwens van mindere kwaliteit. Daar zag ik de noodzaak minder van in.”

Hans Baaij, voorzitter Stichting Varkens in Nood: „In zijn Meertens-tijd was Voskuil veel op het platteland. Zo zag hij het boerenleven veranderen; varkens werden productiedieren. In 1997 besloot hij zijn bekendheid in te zetten om daar iets aan te doen; als we de burger ervan kunnen overtuigen dat varkens beter verdienen, volgt de politiek vanzelf. Dat is onwaar gebleken, en dat was een grote teleurstelling voor hem. Als mens was Voskuil teruggetrokken, bescheiden. In de tram kwam er eens iemand naast hem zitten, die hem over zijn werk ondervroeg. Dat vond hij verschrikkelijk. Hij stond een beetje buiten de moderne maatschappij. Maar juist als buitenstaander had hij er een bijzonder scherpe blik op.”

Herm Pol, bedrijfsleider van boekhandel Athenaeum in Amsterdam: „Een cyclus van zo een omvang en zo’n grote kwaliteit als Het Bureau is een bijzonderheid in Nederland geweest. Er ontstond een enorme run op de delen. We waren hier in de winkel verbaasd over het verkoopsucces. Er ontstond een club, een sekte, die alles aanschafte wat Voskuil afscheidde. Later, toen de voltooiing van Het Bureau compleet was, ebde de belangstelling wel wat weg. Wat daarna verscheen, was toch meer voor de Voskuil-diehards.”