Schrijven om de angsten te bezweren

Met het voltooien van de romancyclus ‘Het Bureau’ was J.J. Voskuil uitgeschreven. Hij koos er voor om op 1 mei te sterven.

„Nee, met de dood houd ik mij niet bezig omdat die voor secundair reagerende mensen als ik geen probleem is. Er zijn nu eenmaal dingen waar je niets aan kunt doen.” Toen J.J. Voskuil deze laconieke opmerking in 2002 maakte, had de ziekte die hem er uiteindelijk toe noopte zich wél met zijn dood te bemoeien zich juist geopenbaard. Hij vertelde me dat het een zeldzame aangeboren aandoening betrof die begon met dezelfde evenwichtsstoornissen waaraan ook zijn vader had geleden. Sinds die tijd zagen zijn buurtgenoten in de Amsterdamse Jordaan hem steeds minder op straat voor zijn dagelijkse boodschappen.

Vorige maand, toen zijn toestand dramatisch verslechterde, bepaalde hij zelf dat hij op 1 mei waardig wilde sterven. Zijn echtgenote Lousje Voskuil-Haspers noemt het toeval dat zijn dood samenviel met de socialistische feestdag 1 mei. Hoewel afkomstig uit een links nest, zijn vader Klaas Voskuil was hoofdredacteur van Het Vrije Volk, moest Voskuil niets hebben van socialistische rituelen. „Dat het dit jaar op 1 mei ook Hemelvaartsdag was besefte Han pas toen het besluit al genomen was. We hebben daar samen een beetje om gelachen.” Zij vertelt dat hij zijn ziekte stoïcijns heeft gedragen: „Hij kon zich niet meer bewegen en zijn dood was een verlossing.”

Er is, misschien op zijn voorbeeld E. du Perron na, geen Nederlandse schrijver die zijn leven nauwkeuriger heeft gedocumenteerd dan Han Voskuil. In zijn autobiografische romans Bij nader inzien (1963) en de zevendelige cyclus Het Bureau (1990-1995) liet hij zijn alter ego Maarten Koning zijn eigen leven tot in detail vastleggen. In het laatste deel van Het Bureau, verschenen onder de titel De dood van Maarten Koning, ondernam hij zelfs een poging zijn eigen dood te beschrijven. „Hij droomde dat hij werd uitgedragen. Van heel ver kwamen de laatste tonen van Nobody knows you when you’re down and out uit de klarinet van Sydney Bechet, zoals hij die in zijn leven honderden keren gehoord had. Daarna hoorde hij alleen nog het knerpen van de schoenen van de dragers op het grind en voelde hij het lichte deinen van zijn kist op hun schouders. (…) Hij duwde de deksel van zijn kist omhoog, richtte zich op en keek hen na. (…) Terwijl hij langzaam de deksel weer liet zakken, werd hij wakker, overspoeld door een gevoel van oeverloze treurigheid.” Voskuil wordt donderdag op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in zijn geboorteplaats Den Haag begraven.

Voor zijn lezers kan de euthanasie waartoe hij op 81-jarige leeftijd besloot geen verrassing zijn. Zijn schrijven was er op gericht controle te houden over zijn bestaan, als enige manier om zijn angsten te bezweren. Alleen door in geschrifte rekenschap af te leggen van al zijn doen en laten heeft hij de paniekaanvallen die hem tussen zijn dertigste en veertigste bestormden, kunnen bedwingen. „Ik had echt grote angsten. Het was maatschappijangst en ik kende ook wel gevallen van mensen die dan zelfmoord pleegden. Ik wilde een andere man worden omdat ik dacht: ik red het niet in de maatschappij. Ik wilde niet accepteren dat ik niet een gewoon sociaal mens kon zijn. Op een gegeven moment heb ik het opgeschreven en mezelf onder controle gekregen.”

Over de reden dat hij de romanfiguur Maarten Koning heeft laten ontstaan, vertelde Voskuil dat hij sinds zijn puberteit over zichzelf in de derde persoon dacht in situaties waarin hij zich niet op zijn plaats voelde. Dat was het geval in de vriendenkring uit zijn Amsterdamse studententijd waarmee hij ‘mieters’ afrekende in Bij nader inzien en later op het Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde, het huidige Meertens Instituut, dat hij vereeuwigde in Het Bureau.

De romans Bij Nader Inzien, Het Bureau en ook nog het in 2002 verschenen Requiem voor een vriend handelen alle over het verlies van illusies: de illusie van eeuwigdurende vriendschap en loyaliteit, de illusie van collegiale verbondenheid en de illusie van onderlinge solidariteit. Het blijkt allemaal voos te zijn geweest.

Voskuils schrijverschap is gebaseerd op een verbeten streven zichzelf te doorgronden. Genadeloos, zonodig. „Ik heb de illusie dat wanneer je jezelf kent, je weet waar je naar toe gaat”, zei hij. „Die kennis ligt in het verleden, want je bent wat je geweest bent. Je begint blanco en geleidelijk aan, stotend en botsend, ontstaat er een patroon. In dat patroon ben ik geïnteresseerd.”

In 1957 trad Voskuil, na een studie Nederlands en banen als docent en tolk, in dienst bij het Meertens Instituut, waar hij dertig jaar werkzaam was.

Vervolg Voskuil: pagina 9

‘Ik ben wat ik gedaan heb en gezegd heb’

Vervolg van Voskuil van pagina 1

Het wetenschappelijke werk dat hij daar als etnoloog verrichtte, en achteraf in romans ironisch bagatelliseerde, gaf een nieuwe richting aan de onder nazi-invloed verdacht geraakte volkskunde. Na zijn pensionering sloeg de desillusie toe. Op basis van dagboeken, die hij vanaf zijn zestiende bijhield, schreef hij de wanhoop over de zinloosheid van het bestaan van zich af in Het Bureau.

Na het aanvankelijk geflopte Bij nader inzien werd deze romancyclus onverhoeds een publiek succes. Misschien door de herkenning van de angst voor de ontoereikendheid. Een sleutelzin luidt: „Angst is dat je niets meer hoort en ziet dan jezelf, en aangezien daaraan een eind moet komen, moet je jezelf binnenste buiten keren.” Nadat hij Het Bureau had voltooid, was Voskuil in wezen uitgeschreven. Behalve zijn wandeldagboeken en Requiem voor een vriend verscheen in 2007 nog de bundel portretten en herinneringen Onder andere. Maar het heilig moeten was verdwenen. „Als ik dood was gegaan zonder Requiem voor een vriend geschreven te hebben, had ik dat niet zo erg gevonden. Doodgaan zonder Het Bureau te hebben geschreven wél.”

Voskuil schreef uit de behoefte om alles wat hij als problematisch ervoer vast te leggen, om zo zichzelf te kunnen observeren. „Tegen de tijd dat ik doodga wil ik kunnen vaststellen wie ik geweest ben. Ik ben geweest wat ik gedaan heb en wat ik gezegd heb.”

Zelf vond hij zijn inspanningen voor de bescherming van dieren volgens zijn vrouw Lousje belangrijker dan zijn boeken – waarin hij overigens ontroerend schrijft over zijn katten en over de duiven in de bomen bij hun huis op de Herengracht. Liever had zij zijn dood nog even stil willen houden. „Han voelde zich wel een echte schrijver, maar wilde geen publieke figuur zijn. Zijn bekendheid heeft hij ingezet voor de Stichting Varkens in Nood waarvan hij de eerste ambassadeur was.” Niet uit te sluiten valt dat Voskuils inspanningen voor de bescherming van dieren mede ingegeven zijn door Lousje, bij de lezers van Voskuil beter bekend onder de naam Nicolien, de tegendraadse echtgenote van Maarten Koning.

„Een belangrijke reden voor mijn politieke radicalisering is Lousje geweest”, vertelde Voskuil mij. „Zij neemt radicale standpunten in, maar ze is ook tolerant.” Hij voegde er aan toe dat zijn vrouw zich eraan ergerde dat hij weigerde zich bezig te houden met kwesties waar hij niets tegen kon doen, zoals ziekte, dood en onrecht. „Zodra ik het gevoel heb dat ik er wel iets aan kan doen, zoals de behandeling van varkens, word ik zenuwachtig. Als ik iets kán doen en ik doe het niet zou ik mezelf een geweldige klootzak vinden en dat moet je voorkomen, ten koste van alles.” Het geld van de Librisprijs, waarmee hij in 1998 werd bekroond voor Plankton, deel 3 van Het Bureau, ging dan ook naar Varkens in Nood.

Behalve romans publiceerde Voskuil wetenschappelijk werk en wandeldagboeken. In Onder andere publiceerde hij portretten van en herinneringen aan mensen in zijn leven, zoals zijn vader, Klaas Voskuil, en uitgever Geert van Oorschot. Vanaf 2004 werd Het Bureau dagelijks vijf minuten uitgezonden als radiohoorspel in een bewerking van Krijn Ter Braak, die de rol van Maarten Koning voor zijn rekening nam. Ook Bij nader inzien kreeg een tweede leven, mede dankzij de succesvolle zesdelige televisieserie onder regie van Frans Weisz, die in 1991 door de VPRO werd uitgezonden.

Zowel met Bij nader inzien als met Het Bureau oogstte Voskuil lof maar ook kritiek, omdat hij zijn personages modelleerde naar bestaande mensen wier privacy hij zou hebben geschonden. Voskuil wees die kritiek van de hand: „Ik ben opgegroeid tussen vrienden die op het standpunt stonden dat je alles over elkaar mag publiceren. Op Het Bureau heb ik de kritiek gekregen dat ik de privacy van personen schend, maar dat vind ik belachelijk, omdat daarin alleen sociaal gedrag wordt beschreven.”

Voskuil was een onnavolgbare waarnemer en stilist met een onbedwingbare behoefte rekenschap af te leggen van al zijn denken en handelen. Daaraan dankt de Nederlandse literatuur een serie nauwgezette romans die even geestig als illusieloos zijn en misschien juist daarom nu al klassiek mogen worden genoemd.