Hopen op de markt stilt de honger niet

Het is verleidelijk om te denken dat de wetten van vraag en aanbod de voedselcrisis zullen oplossen.

Maar we leven in de echte wereld, niet de theoretische.

Voedselcrisis rijsttekorten Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

Eind vorige maand was er een sprankje hoop in de wereldvoedselcrisis. In de verwachting van een recordoogst versoepelde Oekraïne zijn uitvoerbeperkingen. Van de ene dag op de andere daalden de tarweprijzen op de wereldmarkt met 10 procent. Daarentegen liggen volgens handelaren in Bangkok de rijstprijzen rond 1000 dollar per ton, terwijl deze twee maanden geleden nog op 460 dollar lagen.

Zo wisselvallig zijn de huidige markten. Maar één ding is zeker: we zijn van een tijd van overvloed in een tijd van schaarste beland. Deskundigen zijn het erover eens dat de voedselprijzen waarschijnlijk voorlopig niet zullen terugkeren op het peil waaraan de wereld gewend was geraakt.

Zelfs in de rijke Europese landen en de Verenigde Staten mopperen de consumenten. Maar denk u de situatie eens in van degenen die van minder dan een dollar per dag leven. De meesten wonen in Afrika en voor velen van hen is het normaal dat ze tweederde van hun inkomen aan voedsel besteden. In Liberia hoorde ik twee weken geleden dat mensen de ingevoerde rijst steeds vaker per kop kopen, omdat ze de rijst per zak niet meer kunnen veroorloven.

In Ivoorkust toonden de politieke leiders zich ongerust dat de crisis de pogingen zou kunnen ondermijnen om een echte democratie te vestigen – juist nu ze na tien jaar inspanning zo dicht bij succes zijn.

In Burkina Faso hoorde ik van president Blaise Compaoré hoe wanhopig zijn land hulp nodig heeft. De helft van de bevolking, voor het overgrote deel kleine boeren, leeft van minder dan een dollar per dag. Vooral minister Djibril Bassolé van Buitenlandse Zaken drukte zich krachtig uit. Volgens hem is de voedselcrisis een veel grotere dreiging dan het terrorisme. „Mensen gaan twijfelen aan hun waardigheid”, zei hij.

Het is misschien verleidelijk om de markten hun magische werk te laten doen. Als de prijzen omhoog gaan, zo luidt de gedachte, zal ook het aanbod stijgen. Maar we leven in de echte wereld, niet in de wereld van de economische theorie. In de Keniaanse Rift Valley, poten de boeren maar eenderde van wat ze vorig jaar pootten. Waarom, als je toch zou denken dat hogere prijzen hen zouden aanzetten om meer te poten? Omdat ze zich de mest niet kunnen veroorloven, want die schiet ook in prijs omhoog. Hetzelfde zien we in Mali, Laos en Ethiopië. Het is een recept voor rampspoed.

We kunnen deze crisis het hoofd bieden. We hebben de middelen. We weten wat ons te doen staat. We zouden dit niet alleen als een probleem, maar ook als een kans moeten beschouwen.

Het is een enorme kans om iets te doen aan de wezenlijke problemen van veel van de armsten op de wereld, van wie 70 procent als kleine boeren leeft. Als we hen helpen – als we hulp bieden en de juiste combinatie van deugdelijke lokale en internationale maatregelen nemen – zal de oplossing zeker komen.

Mijn reis door West-Afrika gaf me goede redenen voor optimisme. In Burkina Faso zag ik een regering werken aan de import van droogtebestendige zaden en een beter beheer van de schaarse watervoorraad, geholpen door landen als Brazilië. In Ivoorkust zagen we een met VN-fondsen opgezette kippenfarm, gedreven door een vrouwencoöperatie. Het project genereerde inkomen en voedsel voor dorpelingen op manieren die gemakkelijk te kopiëren zijn.

Elders zag ik met VN-hulp de lokale landbouwproductie langzaam worden uitgebreid, ook door een groep vrouwen. Binnenkort zullen zij de rijst van het Wereldvoedselprogramma vervangen door hun oogst van eigen grond, genoeg om te voorzien in de behoeften van het voedselprogramma van hun school.

Dit zijn fundamentele oplossingen voor fundamentele problemen van eigen bodem – precies het soort oplossingen dat Afrika nodig heeft.

Op bezoek bij een basisschool in aanbouw in Ouagadougou vertelde ik de kinderen hoe ik ben opgegroeid: zonder muren, met alleen de kale grond om op te zitten. Ik vertelde hun van de honger die ik als jongen heb gekend – nauwelijks genoeg te eten, terwijl mijn eigen grootouders en andere oude mensen moesten schooien om eten, en zuigelingen amper genoeg kregen om te groeien.

Op reis in Afrika denk ik terug aan deze beelden en sta ik stil bij de rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van dit continent en bij de kracht en moed van zijn bevolking die ik zag in de steden die ik bezocht. Als mijn land een trauma te boven kan komen en een economische macht kan worden, dan weet ik dat Afrika dat ook kan.

Het enige wat nodig is, is onze hulp. Om te beginnen door de harde maatregelen te treffen waarmee we een gepast antwoord kunnen geven op de voedselcrisis.

Ban Ki Moon is secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Lees meer over de voedselcrisis op nrc.nl/voedselprijzen