Hij schreef tegen de angst

Je kiest elkaar niet uit, bent niet bevriend, maar moet wel dag in dag uit samenwerken.

Voskuils beschrijvingen van collega’s leverden literatuur van grote klasse op.

Het was de Dag van de Arbeid die dit jaar samenviel met Hemelvaartsdag – geen toevallige datum waarop de schrijver en volkenkundige J.J. Voskuil donderdag op 81-jarige leeftijd is overleden.

Voskuil die grote bekendheid verwierf met zijn uit zeven delen bestaande megaroman Het Bureau leed al geruime tijd aan een genetisch bepaalde aandoening die zich zeven jaar geleden openbaarde in de vorm van evenwichtsstoornissen. De afgelopen weken verergerde de ziekte dramatisch, zonder uitzicht op herstel. In de laatste week van april besloot hij tot euthanasie.

Zijn echtgenote Lousje Voskuil Haspers sluit niet uit dat de hiervoor gekozen datum mede een eerbetoon was aan zijn vader, een socialist van de oude stempel. „Maar Han vond het ook bijzonder om op Hemelvaartsdag te sterven. En zo vaak komt het niet voor dat de Eerste Mei en Hemelvaartsdag samen vallen.”

Johannes Jacobus Voskuil werd op 1 juli 1926 geboren als oudste zoon van Klaas Voskuil, hoofdredacteur van Het Vrije Volk, het dagblad van de Partij van de Arbeid. Na zijn middelbare school studeerde hij korte tijd economie en vervolgens Nederlandse taal- en letterkunde. In 1957 trad hij in dienst bij het Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde, het huidige Meertens Instituut, dat hij na zijn pensionering vereeuwigde in zijn romancyclus Het Bureau (1996-2000) waarin Voskuil zelf, onder de naam Maarten Koning de hoofdrol speelt.

In het laatste deel van deze romancyclus beleeft Maarten Koning in een droom zijn eigen uitvaart. „Hij droomde dat hij werd uitgedragen. Van heel ver kwamen de laatste tonen van Nobody knows you when you are down and out uit de klarinet van Sidney Bechet, zoals hij die bij zijn leven honderden keren gehoord had.” Voskuil wordt donderdag op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in zijn geboorteplaats Den Haag begraven.

Han Voskuil, die behalve schrijver ook een gerenommeerd volkenkundige was, debuteerde in 1963 met de lijvige autobiografische roman Bij nader inzien, waarin zijn alter ego Maarten Koning met wrok terugkijkt op de vrienden uit zijn studententijd. De bekendheid die Voskuil met Het Bureau verwierf zette hij in voor de Stichting Varkens in Nood, waarvan hij de eerste ‘ambassadeur’ was.

Behalve romans publiceerde Voskuil wetenschappelijk werk en reisdagboeken waarin hij zijn wandelingen met echtgenote Lousje in Frankrijk en Groot-Brittannië gedetailleerd beschreef. In zijn recentste boek Onder andere publiceerde hij portretten van en herinneringen aan mensen die hij heeft gekend, zoals zijn vader Klaas Voskuil en de uitgever Geert van Oorschot.

Vanaf 2004 werd Het Bureau dagelijks vijf minuten uitgezonden als radiohoorspel in een bewerking van Krijn ter Braak, die zelf de rol van Maarten Koning voor zijn rekening nam. Een passage, letterlijk ontleend aan Het Bureau waarin Maarten Koning in zijn dagboek verwoordt waarom hij schrijft typeert de mens en de schrijver Voskuil, die sinds zijn puberteit over zichzelf in de derde persoon dacht, ten voeten uit. „Hij schrijft tegen de angst. Angst is dat je niets meer hoort en ziet dan jezelf, en aangezien daaraan een eind moet komen, moet je jezelf binnenste buiten keren.” Het is een sleutelpassage in Het Bureau die typerend is voor Voskuils oeuvre. Angst voor het leven of liever gezegd voor de teleurstellingen ervan is het verbindende thema. „De overeenkomst tussen Bij Nader Inzien, Het Bureau en Requiem voor een vriend is,” zei Voskuil er zelf over, is „dat alle drie de boeken gaan over het verlies van illusies.”

Voskuil kon alleen schrijven als hij daar een dwingende reden toe had. Nadat hij in 2002 de roman Requiem voor een vriend had gepubliceerd zei hij: „Dit boek heeft niet de dwingende kracht van mijn andere boeken. Als ik dood was gegaan zonder dit boek, had ik dat niet zo erg gevonden. Doodgaan zonder Het Bureau te hebben geschreven wél.”

Die cyclus moest geschreven worden omdat hij zijn hele werkzame leven op het Meertens Instituut als een immens probleem heeft ervaren. Weliswaar excelleerde hij als volkenkundige, maar hij stond zichzelf geen maatschappelijk succes toe. Daarom beschouwde hij zichzelf als ‘links’. „Ik heb de pest aan mensen die het zich lekker maken. Ik kan niet tegen mensen die genieten. Puur calvinisme, mijn linksheid kun je net zo goed rechts noemen.”

Zowel met zijn debuutroman Bij nader inzien als met Het Bureau oogstte Voskuil lof en literaire prijzen maar ook kritiek, omdat hij zijn personages modelleerde naar werkelijk bestaande mensen wier privacy hij zou hebben geschonden. Voskuil wees die kritiek van de hand: „Ik ben opgegroeid tussen vrienden die op het standpunt stonden dat je alles over elkaar mag publiceren. Op Het Bureau heb ik de kritiek gekregen dat ik de privacy van personen schend, maar dat vind ik belachelijk, omdat daarin alleen sociaal gedrag wordt beschreven.”

Voskuil was een begenadigd waarnemer en stilist met een onbedwingbare behoefte rekenschap af te leggen van al zijn daden. Daaraan dankt de Nederlandse literatuur een serie prachtige en onnavolgbare romans.