Het verleden is een vreemd land

Je merkt steeds duidelijker dat de oorlog al lang geleden is. Niet omdat er minder herdacht wordt, zeker niet. Maar wat je ziet, op de foto’s en de filmpjes, hoort uit de brieven en aantekeningen, is steeds duidelijker een heel andere wereld. In essentie misschien niet anders dan de onze, maar voor al het overige wel.

Neem het dorp waar ‘de andere familie Frank’ woonde, Ochten, in de Betuwe, aan de rivier. Er woonden „geen mensen die wat in de melk te brokkelen hadden’’ zoals één van de oudere dorpsbewoners nu zei. Sam Frank was één van de welvarendsten, met zijn goedlopende kledingzaak. Hij had de eerste auto van het dorp, wist iemand te vertellen. De Franks hadden ook personeel – maar dat was weer niet zo uitzonderlijk. In de jaren dertig hadden veel mensen die het konden betalen nog ‘een meisje’, dat – we zagen het op de filmpjes die de aanleiding vormden tot de documentaire van Erik Willems – in een wit schort liep.

De Joodse familie Frank zag er, met de ogen van nu, niet speciaal Joods uit. Ze zien eruit als Joden op filmpjes van toen. Mensen van toen, in een dorp van toen, met een auto van toen en strikken in het haar die meisjes toen hadden.

Die blik hadden de oudere dorpsbewoners die de teruggevonden familiefilmpjes van de familie Frank te zien kregen, zo te merken niet. Zij leken terug te vallen in de tijd die ze gekend hadden. Een van de oude vrouwen zei, terwijl ze naar het kleine meisje Ietje keek: „Een Jodinnekegezichtje het ze hoor”. Zoiets zegt niemand meer. Een andere Ochtenaar was zich wel van dat verschil bewust en zei: „Toen was Joods eigenlijk niet…eigenlijk niet…niet wat de moffen ervan zeiden”. Hij dacht niet dat Frank het als scheldwoord opgevat zou hebben, ‘Jood’. Blijkbaar was het dat voor hem wel geworden. En misschien voor ons ook wel, een onbedoeld scheldwoord dat we om die reden liever niet meer gebruiken. ‘Joods’ dat kan, maar iemand een ‘Jood’ laat staan een ‘Jodin’ noemen, dat doe je niet makkelijk, daar is de onschuld af, als die er al ooit geweest is – zelfs dat is nu moeilijk na te gaan.

Op bijna alle regionale zenders, en dus goed te ontvangen via de digitale televisie, werd ook een andere, al even interessante documentaire uitgezonden, Edith Stein, Echt en de waarheid, over de in Auschwitz vermoorde Joodse non die in 1994 door de vorige paus heilig werd verklaard. Documentairemaakster Frederieke Jochems sprak met Joden en katholieken over hoe Stein wordt gezien, en dat levert echt twee Edith Steins op: een wezenlijk christelijke en een wezenlijk Joodse. De onenigheid zal hem wel in het woord ‘wezenlijk’ zitten, althans in de behoefte van mensen om te willen zeggen wat iemand ‘eigenlijk’ was. Beide richtingen willen haar graag voor zichzelf hebben. RabbijnTzvi Marx stikte haast van verontwaardiging over die heiligverklaring en over de taal die christenen gebruiken om jodendom en christendom tot in feite één geheel te maken: het jodendom als de knop waaruit de bloem van het christendom ontloken is. We hoorden het hulpbisschop Everard de Jong zó proberen uit te leggen dat hij kool en geit, bloem en knop spaarde, maar rabbijn Marx wilde beslist geen knop zijn en hij zag evenmin een bloem.

De nicht van Edith Stein, een dochter van haar zuster, moest niets hebben van het eventuele ‘offer’ dat Stein gebracht zou hebben, van het ‘sterven voor ons volk’ dat ze gedaan zou hebben: „Ze stierf niet vóór haar volk,” zei zij, „ze stierf mét ze.”

De enige die verzoenend sprak, was de oud-psychiater en voormalige Auschwitz-gevangene Max Hamburger, die zei: „Dat ze, als non, vermoord is als Jodin, brengt onze tradities eerder bij elkaar dan van elkaar.”

Ook in deze film zag je weer goed hoe ver het allemaal weg is, dat Breslau waar Stein geboren werd, haar studie bij Husserl, het type kwesties dat ze behandelde, de manier waarop ze schreef uit Westerbork. Een andere taal, een andere wereld, andere manieren van praten en denken.

„Het verleden is een vreemd land, ze doen de dingen daar anders”, zei de historicus L.P. Hartley zo terecht.