Er moet een plek zijn waar niemand woont

Vanaf vandaag gaan Fanny & Alma elke maandag van die dingen doen die we allemaal weleens moeten of moesten.

Vandaag het eerste deel: op zoek naar een kamer.

„Dit is alles wat ik als kind at!” Alma is omringd door eten. Fanny’s ogen vallen op de torenhoge stapel pannekoeken verzopen in stroop en poedersuiker, en de zuurtjes in fel gekleurde wikkels. „Voor de rest lustte ik niets.”

Alma knikt tevreden. Haar hele tafel puilt uit en haar keuken is nog nooit zo smerig geweest, maar voor heel even is ze weer zeven. Fanny kijkt verwonderd. Vooral naar vijf boterhammen met smeerleverworst en vruchtenhagel. „Dit at jij?” „Ja”, antwoordt Alma kort. „Ik zweer je dat het lekker is. Vlees met vruchten is ook helemaal niet zo’n gekke combinatie. Denk aan wild zwijn met cranberrysaus. Lekker toch?” Fanny laat de boterham met leverworst en vruchtenhagelslag onaangeroerd.

„Mis je weleens iets van vroeger?”, vraagt Fanny. Alma praat met een mond vol stroop: „Nee, ik heb nu toch alles? Oh nee, wacht. Nog een ding.” Met een spuitbus slagroom komt Alma terug uit de keuken. Ze dipt een zuurtje in een toef slagroom, hij glijdt naar binnen. „Dat bedoel ik niet. Ik bedoel mis je het soms om nog thuis te wonen? Want zo lijkt het een beetje.” „Nee. Van mijn moeder zou ik dit niet mogen.”

Maar van Alma’s moeder mogen wel andere dingen. Zo heeft zij er voor gezorgd dat Alma een huis heeft. Daar maakt Alma als bekwaam verwend nest gebruik van. Ze betaalt de hypotheek zelf, maar haar moeder staat garant voor het huis dat omgeven wordt door scheve Jordanese huizen.

Fanny, aan de andere kant, staat, waarschijnlijk met honderdduizenden lotgenoten, ingeschreven bij zo ongeveer alle woonbureau’s van Nederland. Natuurlijk bij Woningnet, maar voor een appartement als dat van Alma moet je minstens 11 jaar wachten. Ook voor etages buiten het centrum staat een wachttijd van minstens zeven jaar. „Zelfs op een huis van studentenwoningweb maak je geen schijn van kans”, legt ze gefrustreerd uit aan Alma. „Mensen van buitenaf krijgen voorrang. Ik ben een racist als het aankomt op provincialen. Ik mag toch wel eerst?!”

Op zich woont Fanny nu in haar droomhuis, een studio van 25 m2 aan een park. De afwas doet ze bij gebrek aan een gootsteen in haar bad, ze kookt op twee elektrische pitjes en uit de kraan bij de wastafel komt alleen kokend heet water. Maar het is een paleisje: niemand die raar opkijkt als ze in haar blootje een ei bakt, geen huisgenoten die keiharde house draaien terwijl zij aan het studeren is, en een communistische hospita die nog later naar bed gaat dan Fanny zelf. Enige nadeel: ze huurt het tijdelijk van een vriendin die een half jaar in het buitenland verkeert; over twee maanden moet ze weer verhuizen.

Fanny pakt zorgvuldig een pannekoek van de stapel. „Ik hoef alleen maar een klein plekje”, zegt ze. „Een klein plekje helemaal voor mezelf. Ergens, ergens moet toch wel iets zijn.” Ze wijst op de kaart van Amsterdam die bij Alma aan de muur hangt. „Hier, of hier, of hier, of hier. Ergens moet toch een plek zijn waar niemand woont?” „Ja, en het gaat lukken”, zegt Alma. Via via hoeven we het niet te proberen, want de helft van onze vriendenkring is op zoek. Elke dag krijgen we wel een mail binnen. Op Alma’s school is het helemaal een chaos. Tussen tientallen ROOM WANTED-plakkaten hing deze: ‘BEER! Now I’ve got your attention. If you have a house for me I’ll buy you lots of beer!’ Mensen om ons heen zijn wanhopig. Sommige van onze vrienden zijn in drie jaar tijd acht keer verhuisd. Op internet zien we kamers die het dubbele van Alma haar hypotheek kosten en zes keer zo klein zijn. En vooral heel veel tijdelijke onderhuur voor heel veel geld. Anti-kraak is een optie, maar niet als je zoals Fanny afwilt van het eeuwige verhuis. Bovendien nemen die de laatste tijd ook niemand meer aan. „En in een studentencontainer wonen?”, vraagt Alma. „Laten ze alleen provincialen toe. Ik kruip niet met een Brabo in een blik sardientjes.”

Alma pakt een boterham Aja, want zo noemde ze vroeger een boterham smeerleverworst en vruchtenhagel. Fanny schudt haar hoofd als zij geplet varken en verpulverd fruit tussen Alma’s tanden gemengd ziet worden. „Weet je zeker dat je niet iets mist van vroeger?” „Soms”, knikt Alma. Alleen wonen kan geweldig zijn. Niemand vertelt wat je moet doen. Alma kan zich niet eens meer voorstellen dat haar moeder het vroeger een probleem vond wanneer ze een keukenkastje open had laten staan. Nu weet ze niet beter, die dingen staan altijd wagenwijd open. Dat bespaart tijd. Maar toch. Niemand kan het oprecht schelen als je thuiskomt en je moe bent. Alleen een moeder trekt zich dat echt aan en zal er voor zorgen dat het minder wordt. Alma neemt nog een hap en slikt het moeilijk weg. Ze kruipt achter de computer.

„Ik heb wat voor je gevonden!”, gilt Alma na twee uur zoeken. „Een studio voor 350 euro in het centrum.” Fanny stormt naar de computer. „Altijd wonen is het goedkoopste woningbureau in de regio Utrecht, Amsterdam, Rotterdam en Den Haag”, leest Fanny op de site die Alma open heeft staan. „Die ken ik nog niet”, zegt Fanny. Om erop te kunnen reageren blijk je je eerst te moeten aanmelden. Pas als we de inschrijfkosten hebben betaald, is te zien dat er 150 euro gas en licht en 150 euro servicekosten bovenop komt. De totale huurprijs: 650 euro. Alma’s gezicht betrekt. „En dat voor een woning die slechts een half jaar te huren is.” „Dit gebeurt nou elke keer”, zegt Fanny sip.

Via Marktplaats komen we terecht in een huis dat net iets goedkoper is dan de andere huizen die daar worden aangeboden. Eropaf dus. We zijn niet de enige. Twaalf anderen krioelen door de kamer van 20 vierkante meter. „Straks komen er meer. Dus vlug een beetje”, commandeert de verhuurder. Hij is druk in de weer met zijn mobiel, die constant roodgloeiend staat. De vloeren zijn vies en rotten op sommige plekken half weg. In een kast is een douche krakkemikkig gemonteerd en plassen moet op een verdieping lager bij de verhuurder. „Niet doen,” concludeert Alma.

„Misschien moet ik gewoon een makelaar bellen”, oppert Fanny. Fanny krijgt een secretaresse aan de lijn met de liefste stem van de wereld, die aandachtig luistert naar haar wensen. „Ik ga vragen of meneer van Mourik u zo terug kan bellen” zegt ze. De telefoon gaat. De makelaar komt direct tot de orde: „U zoekt een studio, of een klein appartement?” „Ja!”, zegt Fanny hoopvol. „Maar u huurt nog niet bij ons?”, vraagt hij. „Nee. Hoezo?”, vraagt Fanny. „Dan heeft het voor ons geen enkele zin.” „Het hoeft voor jullie toch ook geen zin te hebben?”, denkt Fanny. „Als u al iets huurde konden we uw huidige woning voor een hogere prijs door verhuren. Nu biedt het voor ons geen enkel voordeel.” „Het is het toch uw taak om mensen aan woonruimte te helpen”, stamelt Fanny. „Och meisje”, lacht de man ballerig: „Wij moeten ook nog kadetjes op de plank krijgen.”

„Volgens mij heb ik de oplossing”, straalt Fanny, „jij gaat bij je moeder wonen en ik in jouw huis.”

Voor een week zijn we de gelukkigste personen op aarde.

Voor een week.