De taaie Duitse 1968’ers

Ze zijn nu 60, 65 of tegen de 70, en ze spelen nog steeds een prominente rol in het publieke debat. Ook na al die jaren houdt links Duitsland nog van de generatie van ’68.

„Knijp me”, fluisterde een zekere Joseph Martin Fischer, roepnaam Joschka, tegen zijn vriend en collega Otto Schily. „Ik kan het gewoon niet geloven. Zeg me dat het geen droom is”.

Eindelijk hadden ze hun doel bereikt. Het was 27 oktober 1998 en beiden waren ze zojuist tot minister benoemd in het kabinet van Gerhard Schröder, de nieuwe bondskanselier van Duitsland.

„Wij – de SPD en de Groenen, de generatie van 1968 – waren in het centrum van politieke macht beland, in de regering, in de bondskanselarij, in de ministeries”, schrijft Fischer trots in zijn autobiografisch getinte boek Die rot-grünen Jahre, dat afgelopen najaar in Duitsland uitkwam.

Van revolutionaire activist tot bewindsman; van geëngageerde student die ooit met molotovcocktails de heersende klasse bestreed tot gearriveerd en bewierookt partijleider. Zetelend in het machtscentrum van de Bondsrepubliek; verpersoonlijking van de heersende klasse. Ziedaar de Werdegang van Joschka Fischer, geboren in 1948 en tussen 1967 en 1977 met overtuiging deel uitmakend van de Duitse 1968’ers.

Vervolg Duitsland: pagina 4

Van APO naar RAF loopt een rechte lijn

Vervolg van Duitsland van pagina 4

Ze zijn nu 60, 65 of tegen de 70. Ze hebben meestal geld genoeg, hebben of hadden een uitstekende baan en spelen nog steeds een prominente rol in het publieke debat. De 1968’ers zijn niet uit de media weg te branden.

Ook na al die jaren houdt links Duitsland nog steeds van hen. Wat ze hebben gedaan was weliswaar niet altijd even fraai, zo is de heersende opvatting, maar ze hebben er toch maar voor gezorgd dat die rotoorlog die hun ouders tussen 1940 en 1945 voerden een plaats kreeg en bespreekbaar werd gemaakt. Door hen, de rebellerende kinderen. Ze hebben een seksuele revolutie ontketend, de vrouw ‘bevrijd’. Hun daden waren een keerpunt in de tijd. Zij verlosten de samenleving van haar verstarring. Zo luidt althans de mythe.

Voor West-Duitsland begon de revolte niet in 1968, maar in 1967. Om precies te zijn op 2 juni van dat jaar, toen de 26-jarige Benno Ohnesorg, student germanistiek in West-Berlijn, tijdens een demonstratie tegen de sjah van Perzië door een politieman werd doodgeschoten. De gewelddadige dood van deze overtuigde pacifist leidde eerst tot talloze demonstraties, en snel daarna tot radicalisering van de Duitse studentenbeweging en tot de beruchte APO, de Ausserparlementarische Opposition. Deze buitenparlementaire oppositie was marxistisch, leninistisch of maoïstisch van aard. Als het maar links was.

Van de APO loopt een min of meer rechte lijn naar de RAF. De Rote Armee Fraktion, de links-extremistische terreurbeweging van Andreas Baader, Ulrike Meinhof en anderen. De RAF pleegde in de Bondsrepubliek een kwart eeuw lang aanslagen, ontvoerde mensen en pleegde moorden als het zo uitkwam. Pas in de jaren negentig hief de organisatie zichzelf op. De leden en de meelopers waren dood of gevangen, gedesillusioneerd en oud.

De regering van de Bondsrepubliek was aanvankelijk volkomen overrompeld door de studentenopstand, die steeds gewelddadiger trekken kreeg. De revolte leidde tot ongekende polarisatie, niet alleen op straat, maar ook thuis.

Thuis kregen zwijgzame ouders tijdens het avondeten van hun kinderen te horen dat zij, de generatie die ooit trouw had gezworen aan Adolf Hitler, verantwoordelijk waren voor de moord op zes miljoen joden.

Veertig jaar later wordt er in Duitsland volop gedebatteerd over wat nu precies de erfenis van de 68’ers is. Schrijver en ervaringsdeskundige Peter Schneider (68) is een prominent vertegenwoordiger van de opvatting dat aan zijn generatie de algehele liberalisering van de maatschappij kan worden toegeschreven. „De samenleving heeft het bruikbare van ons gedachtengoed overgenomen en het onbruikbare afgewezen”, zegt Schneider, van wie onder andere de roman Lenz ook in het Nederlands verscheen.

Bruikbaar waren de nieuw verworven vrijheden. Tot het onbruikbare behoorde het fanatisme van destijds, hetgeen Schneider nu diep betreurt. „We liepen weg met Mao en met de oprichters van de Baader-Meinhof Gruppe. We protesteerden tegen de Amerikanen in Vietnam, maar waren blind voor de Duitse deling. Dat is de waanzin van 68 geweest. De erfenis daarvan is verschroeide aarde”.

Schneiders tegenpool is de historicus Götz Aly (61), die over de protestgeneratie en zijn eigen daden een vernietigend oordeel velt in zijn zojuist verschenen Unser Kampf, een boek waarvan de titel verwijst naar Hitlers ‘Mein Kampf’.

Samengevat luidt Aly’s opvatting: we liepen achter de verkeerde doelen aan, we hadden de foute instelling en waren net zo links-fanatiek als onze ouders in de oorlog rechts-fanatiek waren. Zonder de 68’ers was de maatschappij ook wel geliberaliseerd. Van de hele beweging is niets overgebleven, aldus Aly.

Niets is misschien wat weinig. Hoe discutabel de nalatenschap van 1968 in Duitsland ook is, één ding is tastbaar en vooral zichtbaar. De beroemdste 68’er van destijds, Rudi Dutschke, is terug in Berlijn. De charismatische studentenleider, die op 11 april 1968 door een ideologische tegenstander in West-Berlijn werd neergeschoten, zwaargewond raakte en in 1979 aan de late gevolgen van die aanslag overleed – deze Dutschke heeft na jarenlang geruzie eindelijk zijn eigen straat gekregen.

De Kochstrasse, de oude krantenboulevard in het centrum van Berlijn, is vorige week woensdag officieel deels herdoopt in Rudi-Dutschke-Strasse. Hij eindigt op de kruising met de Axel-Springer-Strasse, als ultieme ironie van het lot. Uitgever Axel Springer (van onder meer boulevardblad Bild Zeiting) was destijds Dutschke’s grote opponent.

Schrijver Peter Schneider vindt het volkomen terecht dat de hoofdstad een straat heeft vernoemd naar Der Rudi. „Hij was de moedigste rebel die ik ooit heb gekend. Een man met een missie waarvan hij overtuigd was. Sympathiek en altijd fair. Hij was een groot mens, van wie je hooguit kunt zeggen dat hij geen gelijk heeft gekregen. Hij geloofde in een revolutie die er uiteindelijk niet kon komen”.

De Bondsrepubliek leerde leven met 1968, maar de echte omwenteling kwam pas in 1989 toen de Muur viel en een jaar later de Duitse eenwording een feit werd. De revolutionairen van destijds werkten op dat moment al volop aan hun carrière. Een paar jaar later zouden enkelen van hen als minister in het centrum van de macht zetelen.