‘Berlijn bleef toch trekken’

Galerist en bloemenwinkelier Geer Pouls heeft na ruim twintig jaar Rotterdam, Berlijn weer als domicilie gekozen. Aflevering in een onregelmatig verschijnende serie over Nederlanders in Berlijn.

Janssen, Job

De Nederlander Geer Pouls was 25 jaar toen hij voor het eerst naar Berlijn kwam. Eigenlijk moet je zeggen: West-Berlijn. Want het was 1977, en de stad was nog gedeeld. Hij kwam er om te werken. In de Ikebana-studio van Paul Wegener, een exclusieve bloemenzaak in de buurt van de Tauentzienstrasse.

„Sehnsucht trok me destijds naar die stad – een hevig verlangen. Ik had voor mijn vertrek een oude hutkoffer gekocht. Daar zat een sticker op: Berlijn. Ik moest er gewoon heen.” Hij werkte er twee jaar. Pouls wilde zich bekwamen in Japans bloemschikken. Zijn opleiding maakte hij in Japan af. „In Tokio verzoop ik”, zegt hij, om er meteen aan toe te voegen: „Maar ik kwam terug als kunstenaar.”

Dan volgt een Nederlands intermezzo van meer dan twee decennia. Pouls’ eigenzinnige bloemenwinkel annex galerie in Rotterdam, Brutto Gusto geheten – slechte smaak – geniet in de jaren negentig een zekere bekendheid. „Maar”, zegt hij, „Berlijn bleef trekken. In 2002 ben ik gaan kijken en in 2005 heb ik m’n spullen gepakt en ben weggegaan”.

In de Gartenstrasse, op de hoek van de Torstrasse, beleefde Geer Pouls zijn professionele herstart in Berlijn. Hier, in het trendy Mitte, begon hij vorig jaar een galerie, net als in Rotterdam Brutto Gusto geheten. „Het was een mislukking. Driehonderd anderen hadden hetzelfde idee als ik en openden in 2007 ook een galerie in Berlijn. De concurrentie was enorm. We verkochten alleen aan buitenlanders.”

Pouls wist niet hoe snel hij weer terug moest naar zijn oorspronkelijke uitgangspunt. „Ik kom van de zandgronden. Mijn vader had een gemengd bedrijf in de buurt van Venlo: pluimvee en koude tuinbouw. Ik heb ook altijd een gemengd bedrijf gehad: bloemen en kunst.”

Dat liep vanaf het begin beter. Al aan de buitenkant van Pouls’ winkel kun je zien dat het geen gewone bloemenzaak is. Binnen hangen moderne figuratieve schilderijen van de Nederlander Bas Meerman aan de muur. Je kunt er keramiek van Mobach kopen, maar tussen de anemonen en de rozen staan ook exclusieve vazen van de Japanse glaskunstenaar Ritsue Mishima. Het is eenmalig werk van een grote schoonheid, voor prijzen die navenant zijn. Als wansmakelijk element is er een goudbeschilderde tuinkabouter die provocerend de middelvinger opsteekt.

Zijn klanten zijn geen veelverdieners, maar zijn wel bereid om geld uit te geven. „Ze lopen bij me binnen en bestellen vijf tulpen voor zestig cent per stuk. Dan denk ik: shit, drie euro omzet. Maar vervolgens kopen ze ook nog een vaas van 85 euro. Er zijn hier in deze buurt genoeg mensen die belangstelling hebben voor meer dan het gebruikelijke boeketje.”

Pouls voelt zich thuis in Berlijn. Wat hij waardeert is de beleefdheid van de Duitsers. „De grofheid in Nederland stond me tegen. Hier in Berlijn gebeuren natuurlijk ook rare dingen, maar het volk blijft over het algemeen beschaafd.” De afwezigheid van snobisme vindt hij een verademing. En hij zegt tevreden, terwijl hij op een tweedehands rijwiel achter in zijn winkel wijst: „Ik heb al een jaar lang dezelfde fiets.”

Het huidige Berlijn is volgens Pouls in haast niets te vergelijken met de stad van dertig jaar geleden, toen hij zich hier voor het eerst vestigde. „Dat het oosten erbij is gekomen, is een enorme verrijking. Het is een veel interessantere stad geworden. Overal lees je de geschiedenis.” Hoewel zijn winkel in een voormalige Oost-Berlijnse buurt is gevestigd, is hij zelf in het zuidwesten van de stad gaan wonen. „In Friedenau. Heel rustig en goedburgerlijk.” Hij gaat regelmatig op de fiets naar zijn winkel, een half uurtje.

Geer Pouls en zijn Japanse compagnon Takayuki Tomita kunnen van hun werk in Berlijn goed leven. „Ik kan er zelfs van naar de opera. Geen eerste rang, maar dat hoeft van mij ook helemaal niet.”

In Brutto Gusto is tot 28 juni werk te zien van de Japanse glaskunstenaar Ritsue Mishima: ‘East meets West.’