‘Veel godsdiensten zijn godslasterlijk’

In het werk van schrijfster Marjolijn Februari gaat het vaak om godsdienstige vragen. Haar nieuwste roman, ‘De literaire kring’, is genomineerd voor de Libris Prijs die op 6 mei wordt uitgereikt. „Ik zou het ridicuul vinden als ons geklungel betekenis zou hebben.”

Marjolijn Februari: ‘Na je dood is je werk er misschien nog even, maar daarna is het weg.’ Foto Vincent Mentzel Marjolijn Februari (Drenth) ,auteur.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Doorn, 14 maart 2007 Mentzel, Vincent

Schrijfster Februari debuteerde in 1989 met De Zonen van het uitzicht. Verder stelde zij de verzamelbundel God, een collage samen (1994), en publiceerde zij Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek (2000) en Park welgelegen. Notities over morele verwarring (2004). Vorig jaar verscheen haar tweede roman De literaire kring. De roman, over de eigentijdse, hypocriete moraal van de Nederlandse Großbürger is bekroond met de Annie Romeinprijs 2007 en genomineerd voor de Librisprijs die op 6 mei wordt uitgereikt. Van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde ontving Februari onlangs de driejaarlijkse Frans Kellendonkprijs voor haar gehele oeuvre.

Natuurlijk vergaten deze jongeren onmiddellijk na aankomst in de kibboets niet alleen de cultuur en de geschiedenis van het land, maar ook de christelijke plattelandsnormen waarmee ze waren opgegroeid, en gaven ze zich over aan de zonde. Uit: Park welgelegen

„Mijn ouders waren beiden, zoals dat heet, afvallig. Mijn moeder is van gereformeerden huize. Haar familieleden waren na de Vrijmaking in 1944, een scheuring in de gereformeerde kerken onder leiding van dominee Klaas Schilder, verschillende kanten opgegaan, maar waren geen van allen erg fanatiek. Mijn overgrootouders van vaders kant waren baptist. Ik geloof dat mijn overgrootvader de eerste baptisten-dominee van Nederland was. Het fijne weet ik daar niet van, het geloof was aan die kant van de familie geen onderwerp van gesprek. Hoe dan ook: mijn vader heeft zich nooit laten dopen. Als puber al was hij, net als mijn moeder, van het geloof af.

„Maar ik ben niet antireligieus opgevoed. Ik las thuis de kinderbijbel. Niet het geloof, wel de informatie. Op mijn tiende, elfde jaar heb ik, zoals iedereen op die leeftijd, kort een vrome periode gehad. Ook heb ik nog even gedreigd om theologie te gaan studeren. Die studie sprak me aan vanwege de grondige tekstanalyse, omdat ik er lang over één boek zou kunnen hangen. Maar het was ook een vorm van protest. Mijn ouders waren er in ieder geval niet blij mee. Uiteindelijk vond ik theologie toch te specifiek en koos ik voor filosofie. Wat mij interesseert is de god van de filosofen. Het gaat me niet om het geloof, maar om de vragen waarop dat geloof een antwoord is.”

Maar soms is afwezigheid – en er is in onze tijd een groot gemis aan afwezigheid […] – beter dan volmaaktheid. Uit: De zonen van het uitzicht

„Er ligt een soort religieuze verwondering ten grondslag aan het postmodernisme. Een besef van het gebied dat buiten je intellect ligt, dat niet te bereiken is met je verstand. Die erkenning van de grenzen van het menselijke kenvermogen is via Kant en Wittgenstein ook in het postmodernisme terechtgekomen. In Nederland is het postmodernisme vaak vertaald met: ‘Alles kan, alles mag, lang leve de lol.’ Dat is de populaire versie. Maar als je het werk van Derrida leest, is dat nooit de inzet geweest van de postmoderne theorie. Het is vaak afgedaan als feesttheorie, maar er zit iets diep ernstigs in het postmoderne denken.”

Gisteren nog dubde ik een uur lang over het bestaan van God. Uit: Park Welgelegen

„Drie jaar geleden werd ik gevraagd om een essay te schrijven over geloof. Daar heb ik destijds van afgezien, maar had ik dat wel gedaan, dan had ik het genoemd: De diepe ernst van het ongeloof. Er is een positie waarin je jezelf niet gelovig noemt, maar waar het religieuze zoeken je wél ter harte gaat. De ervaring van niet-geloof is heel serieus. Ik heb vrienden die zichzelf gelovig noemen, die daar ook uitdrukking aan geven, in hun werk, in hun betrokkenheid bij een kerk. Vaak zijn we het over veel theologische kwesties eens. En toch komt er een punt waarop je alleen maar kunt zeggen: ‘Ik ben gelovig’, ‘Ik ben niet gelovig.’ Waar dat precies in zit, waarom ik mezelf niet gelovig noem, en anderen zichzelf wel, ik weet het niet, daar kom ik niet uit.”

Eigenlijk was de hele bouw van die protestantse huizen een soort optelsom geweest van loodgieterswerk en liefdadigheid, van verwarmingsinstallatietechniek en godsvrucht. Uit: De literaire kring

„Ik heb altijd die rare tussenpositie ingenomen: niet geloven, wel de zoektocht naar geloof serieus nemen. Maar de kerkelijke kwesties van de laatste tijd maken het me moeilijk de sympathie voor de kerk te behouden. Neem bijvoorbeeld de ChristenUnie. Ze zaten nog niet in de regering of ze begonnen al over het homohuwelijk. In mijn eigen dorp heb ik het ook zien gebeuren na de fusie van de kerken. Mensen die uit onvrede met standpunten rondom het huwelijk hun gemeenschap verlaten en ineens bij andere mensen in de kerk gaan zitten. Om een onderwerp dat feitelijk niets met hun geloof te maken heeft.

„Dat blijft iets heel raars aan de protestantse kerk, al die splitsingen en scheuringen om zaken die niet religieus zijn. Het wordt een soort stammenstrijd: wie krijgt het geld van de kas, wie krijgt het kerkgebouw? De hele discussie over geloof wordt daarmee gedomineerd door kerkelijkheid. Dat neem ik de mensen best kwalijk. Het geldt net zo goed voor de weinig constructieve stammenstrijd in de islam. Als je je dan al verenigt in een kerk, laat dan liever eens zien tot welke mooie resultaten het gezamenlijke geloof kan leiden! Het gaat er toch ook om dat je samen iets tot stand brengt in zo’n gemeenschap?”

Terwijl alle andere verjaardagsgasten inmiddels met gesloten ogen op de grond lagen om plezier te beleven aan hun eenwording met mensheid, natuur en universum, zat ik vol goede bedoelingen aan de kant en besloot dat ik over dit alles hoognodig eens dieper moest nadenken. Uit: Park welgelegen

„‘Completeness of limited man’, met die woorden, overgenomen van de dichter Coleridge, bekritiseerde de filosoof John Stuart Mill ooit zijn voorganger Bentham. De beperkte mens, die zo vol is van zichzelf dat hij denkt het volledige overzicht te hebben. Die kritiek kun je je ook ter harte nemen op het punt van de religie. Of je nu gelovig bent of ongelovig: het gaat om het besef van je eigen beperktheid, van een ‘ontzag voor de Kosmos’. Als je buiten kampeert, ervaar je dat ontzag natuurlijk sterker dan als je voortdurend aan het werk bent. Ik zelf loop natuurlijk ook niet de hele dag vol ontzag rond. Maar ik vind het gegeven dat we beperkt zijn een erg prettige gedachte. Het is eerder ridicuul als ons leven, dit ‘geklungel’, wél betekenis zou hebben. Dat is toch bespottelijk! Als het níet betekenisloos zou zijn, dán zou ik me dood schamen.”

Met al mijn onbelangrijkheid lig ik in bed. / God ziet mij liggen als een oude hond. Uit: Piere Kemp, Hete Mond, aangehaald in God, een collage

„Heel veel godsdiensten zijn blasfemisch, godslasterlijk. Hoe kun je nu denken dat God de hele tijd over je wieg heen hangt, dat jij zo belangrijk bent dat hij altijd met jou bezig is? Pure ijdelheid. Ongeloof is wat dat betreft veel nederiger. Dan moet je zelf zorgen dat je een goed leven leidt, dat je een beetje goed met de mensen omgaat en geen stomme dingen doet.”

De kerk rook zoals hij altijd rook, en omdat dat zo was, herkende je er de eeuwigheid in. Uit: De literaire kring

„Op de eeuwigheid maakt het niet zoveel uit wat je doet. Dat relativeert op een prettige manier. Voor mij is het in ieder geval een stuk makkelijker om een boek te schrijven en te publiceren vanuit de gedachte van tijdelijkheid. Er verschijnt tegenwoordig zoveel. Je schrijft al lang niet meer voor de eeuwigheid. Het schrijven heeft voor deze tijd zijn betekenis, zijn doel en functie. Na je dood is je werk er misschien nog even, maar daarna is het weg.”

Men heeft al langgeleden ingezien dat niet de economen maar de romanschrijvers als eersten het commerciële egoïsme op de voorgrond hebben geplaatst. D. McCloskey. Uit: Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek

„De opvatting dat literatuur, kunst vanzelfsprekend verheven is boven het leven, daar heb ik grote moeite mee. In Een pruik van paardenhaar citeer ik de Deense filosoof Sören Kierkegaard die schrijft dat mensen om hun nederigheid te tonen naar het Lunapark moeten gaan. Daar ben ik het roerend mee eens. Schrijvers en filosofen moeten plaatsnemen in achtbanen, moeten naar circussen en pretparken toegaan, móeten meedoen. Juist omdat die dingen banaal zijn en al te menselijk.

„Een van de stromingen in de joodse traditie, de filosofie van de orthodoxe rabbi Samson Raphael Hirsch, zegt dat je het bestuderen van de leer moet combineren met ‘de weg van de wereld’: Torah im derech eretz. Die opvatting spreekt me erg aan. Ook als schrijver. Ik heb nooit een schrijversleven gehad, dat zou ik ook niet willen hebben. Ik maak graag deel uit van de maatschappij. Het is helemaal niet goed om je op te sluiten, je moet weten wat de mensen bezielt, wat ze drijft. Ik vind het wel prettig om, na een prijsuitreiking, de volgende dag aan te schuiven bij een vergadering waar niemand daar een boodschap aan heeft.”

[…] het gesprek tussen de gelovigen en God [begon] steeds meer […] te lijken op het gesprek tussen Eucalypta en Paulus de Boskabouter bij hun eerste ontmoeting: Zo, ben jij dat mannetje? Nee, ik ben dat mannetje niet. Uit: God, een collage

„Het boek waar dit citaat uitkomt, God, een collage, was snel ‘weg’. Begin jaren negentig was het een slechte tijd voor het denken over God. Ik vind het zelf een erg opwekkend boekje. Het biedt een grote verscheidenheid aan godsbeelden, aan het denken over het kwaad in de wereld en de verantwoordelijkheid van god daarvoor. Als je zoveel uiteenlopende teksten van zoveel verschillende schrijvers leest, kun je niet spottend meer over religie doen. Dat is deels natuurlijk de perfide retoriek van schrijvers; zij kunnen het allemaal erg mooi voorstellen. Maar het is ook een mooi verschijnsel, dat zoveel mensen zich met geloofsvragen bezig hebben gehouden, en dat we er met z’n allen niet uitkomen. Voor mij een troostrijke gedachte.

„Een van de recensenten vroeg zich naar aanleiding van God, een collage af: ‘Maar wat gelooft ze nu zelf?’ Toch zit mijn standpunt er volgens mij wel degelijk in. ‘De godsdienst van de godsdiensten’, zoiets. Met het weergeven van verschillende opvattingen, ook het vroege natuurgeloof van onze voorouders, geef ik aan dat er iets is dat ons bezighoudt, maar dat we niet kunnen vatten.”

Religion is immoral, it stops people from thinking about how to change society. Uit: Iris Murdoch, Above the Gods: A Dialogue about Religion

„De discussie over moraal en over religie is onze tijd erg verengd. Het ethische betoog, het ontologische verhaal, het kwaad, dat zijn zaken waar nauwelijks meer over nagedacht wordt. Het denken over religie is versmald tot moraal, en het denken over moraal is weer versmald tot zedelijkheid, in de meest enge zin van het woord, namelijk seks. Die moraal wordt dan voornamelijk over het hoofd van vrouwen uitgestort. Dat geldt zowel voor de christelijke orthodoxie als voor de islam. Met een beroep op religie of moraal worden opvattingen verdedigd die daar niets mee te maken hebben; moeten vrouwen thuiszitten of een zak over hun hoofd dragen. Orthodoxe christenen en moslims zijn volgens mij geobsedeerd door seks. Ze zouden zich beter kunnen bezighouden met werkelijk belangrijke kwesties. Ga eens wat doen aan de armoede in de derde wereld, help ziekte en ellende de wereld uit, laat zien wat je te zeggen hebt over compassie, barmhartigheid, al die belangrijke deugden uit de christelijke traditie.

„In een van mijn columns voor de Volkskrant heb ik het ‘moreel graaien’ genoemd – analoog aan het graaien in de top van het bedrijfsleven. ‘Moreel graaien’ omdat het zo makkelijk is: anderen moeten inleveren, moeten hun gedrag veranderen, maar zelf hoef je niks te doen. Het is puur je morele gelijk willen halen. Het komt voort uit gemakzucht. Maar moraal is geen stok om anderen mee op het hoofd te slaan. Ik wil de moraal graag redden, ik wil die verenging in dat denken tegengaan.”

Ik […] loop nog maar met één woord in gedachten rond waarvan ik denk dat het als richtlijn geen kwaad kan en dat bovendien nog tamelijk onbeduimeld is. Ik noem het u: compassie. Uit: De zonen van het uitzicht .

„Het goede is dat geloof problematischer is geworden. Het is een onderwerp geworden. Je moet in de praktijk uitzoeken wat je wel en niet kunt zeggen en doen, want verschillende soorten vrijheden en grondwettelijke rechten botsen tegenwoordig op elkaar. Het ongelovige standpunt was lange tijd het enige acceptabele standpunt, maar is nu een positie geworden die je moet uitleggen. En de triomfantelijkheid van gelovigen: ‘Opzij, opzij, de koning komt voorbij’, is net zomin nog vanzelfsprekend. Ook de geloofspositie moet uitgelegd worden.”

De Duitse communist Gregor Gysi heeft ooit gezegd: ‘Het probleem van deze wereld is dat de problemen van deze wereld niet meer worden weerspiegeld in het leven van degenen die in de positie verkeren er iets aan te doen.’ Uit: Menselijke waardigheid. Een inleiding.

„Nederland is het enige land op de hele wereld dat bijna helemaal geseculariseerd is. Op de wereldkaart van religie is ons land een klein profaan stipje. Ik vraag me af of dat wel goed is, of je dat moet willen blijven nastreven. Hoe ontwikkel je dan een besef van wat heilig is voor sommige mensen? Hoe communiceer je met mensen die wel geloven?”

Laat los, had hij een dominee een paar dagen eerder op de radio horen zeggen, laat los, en u zult losgelaten worden. Lucas 6, vers 37. Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde. De therapeutische woorden van het evangelie. Uit: De literaire kring

„De bijbel zie ik meer als een culturele dan als een literaire bron. Onze hele cultuur is ervan doordesemd. Ik ben er een groot voorstander van om dit door te geven aan de jongere generatie. Toen ik nog lesgaf, zei een student ooit tegen mij: ‘Jezus, is die niet opgehangen of zo?’ Een dergelijke onwetendheid vind ik schokkend; hoe loop je dan door de wereld?”

Het is allright, het is godverdejezuschristus allright als je maar veel van romans houdt. Uit: De literaire kring.

„Er is mij, bij het overlijden van Jan Wolkers wel gevraagd, wat dat met mij deed. Maar voor mij was hij nooit de bevrijder die hij bijvoorbeeld voor de generatie van mijn ouders is geweest. Daar was ik te jong voor. Wolkers en ’t Hart, die waren even nodig in de literatuur. Inmiddels is er een nieuw soort religieus besef ontstaan, maar ik geloof niet dat religie op dit moment hét thema is. Ik denk dat schrijvers zich nu eerder met maatschappelijke zaken bezighouden dan met hun verhouding tot religie. Politieke en bestuurlijke beslissingen, hoe wij omgaan met buitenlanders, met asielzoekers, dat soort thema’s worden door schrijvers als Adriaan van Dis, P.F. Thomèse, Tom Lanoye en Herman Franke aan de orde gesteld. Het mooie aan deze boeken is tevens dat je ziet hoe literatuur deel uitmaakt van de eigen tijd. Zo zijn er meer verschuivingen, want er ontstaan altijd verschillende ontwikkelingen tegelijk. De verplaatsing van stad naar platteland is ook zo’n nieuw motief.”