Training van werkgeheugen maakt intelligenter

Training van het werkgeheugen leidt tot versterking van het probleemoplossend vermogen. Dat is opmerkelijk, want tot nu toe was niet bekend hoe dit type intelligentie, dat psychologen ook wel zuivere, algemene of vloeiende intelligentie (de vakterm is: fluid intelligence) noemen, kan worden getraind. Een mens kan wel de testen gaan oefenen en dat leidt ook wel tot betere scores op die testen, maar niet tot een beter probleemoplossend vermogen buiten de testen. Sterker nog, door training verdwijnt het voorspellend vermogen van de testen voor intellectuele prestaties: je scoort wel hoog, maar slimmer word je niet. Maar training van het werkgeheugen blijkt dus wel te werken, zowel op de officiële fluid intelligence-testen als in de gewone werkelijkheid, ontdekten psychologen van de universiteit van Michigan en de universiteit van Bern (Proceedings of the National Academy of Sciences, Early edition online, 28 april). De voorspellende waarde van de testen verdwijnt niet.

De onderzoekers onder leiding van Susanne M. Jaeggi uit Michigan gingen uit van de recente hypothese van de Australiër Graeme S. Halford. Die betoogde met anderen dat het voor zuivere intelligentie cruciaal is hoeveel mentale concepten je tegelijk in je hoofd kunt houden om mee te werken en verbanden tussen te leggen. Die hoeveelheid concepten is zo ongeveer de definitie van het werkgeheugen (Trends in Cognitive Sciences, juni 2007).

Jaeggi en haar collega’s trainden het werkgeheugen van proefpersonen door dagelijkse oefeningen waarbij ze lange reeksen van gecombineerde (soms gesproken) letters en beelden in hun hoofd moesten houden en die combinaties onderling moesten vergelijken. Aan het begin van de reeks kregen ze een test in fluid intelligence (Gf) en aan het eind weer een (andere) fluid intelligence-test. De vooruitgang van de geheugengetrainden was veel groter dan in de controlegroep en hing ook sterk af van de hoeveelheid geheugentraining. De vooruitgang in Gf was niet afhankelijk van de kracht van het werkgeheugen voor de training (die sterk verschilde per proefpersoon). Hendrik Spiering