Township Tour in Malawi

Weer eens wat anders dan een safari. Voettocht door de sloppenwijken van de Malawiaanse hoofdstad Lilongwe.

Wie naar Malawi reist, hoeft niet veel moeite te doen om de lokale bevolking te mijden. Dat geldt voor de meeste Afrikaanse landen. Je bezoekt een van de nationale parken zoals Nyika Plateau en Liwonde en je vergaapt je aan olifanten, nijlpaarden en zebra. Je kunt ook aan het strand liggen of gaan duiken in Lake Malawi, het op twee na grootste meer van Afrika. Dan zie je behalve meer dan vijfhonderd soorten vissen misschien ook zwarte vissers en zwarte obers, maar daar hoef je geen contact mee te maken. Net zoals de vrolijk zwaaiende kinderen voor lemen hutten die je onderweg passeert, behoren ze tot het exotische decor.

Maar als je wel wilt weten hoe mensen hier leven, laat je je op sleeptouw nemen door Khama Chowa en zijn vriend Blessings. Dat zijn de jongens van Warmhearttravellers. Zo heet de reisorganisatie die ze een paar jaar geleden hebben opgericht. Hun enige bezit is een smetteloze witte minibus, die anders dan de andere minibussen hier in Malawi die allemaal dienst doen als overbeladen taxi’s, niet vol krassen en deuken zit en niet om de honderd kilometer met panne langs de weg staat. Daarin vervoeren ze kleine groepen toeristen die niet voor geijkte attracties gekomen zijn.

De simpelste en goedkoopste uitstapjes die ze aanbieden zijn een Township Tour door de hoofdstad Lilongwe en een bezoek aan het nabijgelegen dorp Mkwende. Voor 15 euro halen ze je ’s ochtends op en brengen ze je aan het einde van de dag weer weg. Voor nog eens 10 euro per persoon leiden ze je de hele dag rond. In het dorp stelt Khama je voor aan zijn grootvader: het dorpshoofd. Hij leidt je langs de akkers waar maïs en tabak wordt verbouwd. Hij leert je ook nsima koken op houtvuur, de maïsbrei die het lievelingseten is van elke Malawiaan.

Maar wij kiezen voor de Township Tour, een wandeling door de sloppenwijken, plaatselijk bekend als area 21 en 22. Tot nu toe hebben we van Lilongwe niet meer gezien dan wat de ‘Old Town’ heet , maar waar geen oud gebouw valt te bekennen. Vierwielaangedreven tanks van hulporganisaties en de plaatselijke elite verstoppen de wegen. Waar geen shopping mall staat, wordt er een gebouwd. Het gaat kennelijk goed met rijk Malawi.

In area 22, misschien drie kilometer verderop, zie je nauwelijks auto’s, behalve achter hoge hekken. Hier kun je nog midden op straat lopen. Dat doen we dan ook. We sloffen door het roodachtige zand. Asfalt hebben we allang achter ons gelaten.

We gaan eerst frisdrank drinken in het huurhuis van Khama. Een van drie huizen binnen een omheining. Dat is zoals de lagere middenklasse in de township woont. Met een ander huis deelt hij een badkamer en toilet buitenshuis. Wie moet, kan nu gaan. Een fatsoenlijke wc zullen we tijdens onze wandeling niet vinden.

Bij het woord ‘township’ denken veel mensen aan krotten op vuilnishopen waar de armen kreperen. De werkelijkheid is minder eenduidig. In de township wonen de armen en de middenklasse door elkaar. De middenklasse is aangesloten op het elektriciteitsnet en heeft stromend water. De armen hebben in hun huis geen water en eten ’s avonds bij het licht van een parafinelamp. De elite zie je intownships niet.

Een township is niet per definitie grauw en bedreigend. Hier in area 22 heerst dorpse rust. De wijk doet denken aan een dorp. Een dorp in de stad. Tussen de huizen staan maïsveldjes. Voor de huizen ligt de maïs op rieten matten te drogen. Meisjes stampen de maïs met een houten vijzel. Net als in het dorp.

De meeste mensen die hier wonen, komen van het dorp. Nog altijd leeft tachtig procent van de veertien miljoen Malawianen op het platteland. Maar de trek naar de stad groeit sneller dan in welk ander Afrikaans land dan ook. Dorpelingen komen naar de stad in de hoop op „groenere weiden”, zoals Khama dat poëtisch noemt.

„Stel: je bent 23 en je woont in het dorp. Je wilt naar de stad. Hoe pak je dat aan?” Khama en Blessings kun je tijdens de wandeling alles vragen. Khama stelt wel eerst wedervragen: „Hoeveel jaar school heeft die persoon? Hoeveel geld heeft hij op zak?” Als kapitaalloze analfabeet kun je het in de stad wel vergeten.

Een vent met twee jaar middelbare school en genoeg geld om het een maand uit zingen in de stad, die zou het kunnen redden. Het helpt als hij in de stad iemand kent bij wie hij de eerste dagen kan slapen en die hem op weg kan helpen. Maar dan zal hij toch snel een baantje moeten vinden of een handeltje beginnen. Want dat is het essentiële verschil tussen het dorp en de stad. In het dorp heb je geen geld nodig zolang je je eigen maïs verbouwt. Je lemen huis bouw je daar met je eigen handen. Maar in de stad begin je niks zonder geld. De kleinste, vieste slaapplaats – een lekkend hok – kost je per maand al 800 kwacha, bijna vier euro. Zelfs voor water uit de openbare kraan moet je in de stad betalen. Tien kwacha, minder dan een halve cent, voor een volle emmer. Maïsmeel voor nsima krijg je niet voor niets.

Voor goeie banen – liefst bij de overheid of bij hulporganisaties – staan de stedelingen in de rij, met mappen vol diploma’s. Zelfs voor slecht betaald werk – 5.000 kwacha per maand, ruim 20 euro – is de animo gigantisch, wat het loon nog verder drukt. Daarom begint iedereen in de township een business. Waar je ook gaat, overal wordt je omgeven door business. Voor bijna elke huisdeur ligt wel een schamel stapeltje koopwaar opgetast. Piramides van tomaten. Een bundel houtskool. Brandhout tot handzame stokjes verzaagd.

De pest met business in de township is dat elke handel die loopt, onmiddellijk door iedereen wordt gekopieerd. De eerste bezitters van een mobieltje die zich verhuurden als openbare telefooncel, deden goeie zaken. Maar al snel waren er meer telefooncellen dan bellers. Dan kun je beter op de buurtmarkt Kaliyeka een kraampje hebben met pannen die zijn gemaakt van autoschroot. Of een naaiatelier. Er zijn altijd vrouwen die willen dat je van een lap een jurk maakt. Er zijn altijd mannen met scheuren in hun kleren. Klaar terwijl u wacht.

We lopen langs de rivier en we wanen ons op het platteland. De gele bloemen van de acaciabomen wuiven boven het manshoge maïs uit. Als snack eten we suikerriet. Eindelijk zijn we bij het huis van Blessings. Hij woont nog bij zijn moeder die handelt in tweedehands kleren. Elke ochtend gaat ze er lopend op uit. Ze verhuurt de andere zes huizen op haar erf voor bedragen tussen 800 en 2700 kwacha per maand, bijna 4 tot 12 euro per maand. Als iemand drie maanden achter elkaar de huur niet betaald heeft, moet hij vertrekken. Terug naar zijn dorp. Hij heeft de oversteek naar de stad gewaagd. Hij heeft het niet gehaald. Leven in de townships is nooit gemakkelijk.

Het postadres van Wamhearttravellers is postbus 1507 in Lilongwe. Er is geen postbedrijf dat in de townships brieven bezorgt. De organisatie is per e-mail bereikbaar: warmhearttravellers@yahoo.com en chowakhama@yahoo.com. Khama Chowa heeft thuis een computer maar geen internetverbinding. Hij checkt zijn mail regelmatig in een internetcafé.