Toen is altijd beter

De vorige presentator van Zomergasten is altijd beter dan de nieuwe. Het nu legendarische Hier is...Adriaan van Dis was destijds ook slecht.

Toen ik in januari 2003 werd gevraagd om presentator te worden van Zomergasten, besloot ik Adriaan van Dis te polsen die het programma vijf zomers lang had gepresenteerd. ‘Vraag de knipselmap met recensies eerst maar eens op,’ zei Van Dis, ‘en besluit dan pas of je zoiets wel wilt doen.’ Ik begreep niet meteen wat hij bedoelde. Dit verbaasde Van Dis. Of ik dan niet wist dat hij vijf jaar lang was begeleid door tv-recensenten die stelselmatig gehakt maakten van Zomergasten en vooral van hemzelf. ‘Over drie dingen klagen Nederlanders altijd en eeuwig’, vertelde hij, ‘het weer, de politiek en de presentator van Zomergasten. Die kan het nooit goed doen.’ Inspectie van die knipselmap leerde mij dat Van Dis niets had overdreven. Nooit deugden zijn inspanningen. Tegenover Zomergast A was hij te koel, met Zomergast B was er geen ‘klik’, en Zomergast C kreeg veel te weinig de ruimte.

In 2003 en 2004 presenteerde ik Zomergasten, knipselmap of niet. Iedere Zomergast-presentator zal vertellen dat je in die zomerweken voortdurend op straat wordt aangesproken, maar tot mijn verbazing vond de echte hausse pas plaats in 2005, toen het estafette-stokje was overgenomen door Connie Palmen. Tot in de Albert Heijn volgden vaste kijkers van het programma mij, en het waren met name dames die zich ‘trouwe kijkers’ noemden die mij tussen de diepvries en het broodbeleg met hun karretje wisten klem te zetten, waarna ze een zucht slaakten en zeiden: ‘O meneer Zwagerman, wat missen wij u toch verschrikkelijk. Maar dat zult u denk ik wel vaker horen.’

In dat laatste hadden ze nog gelijk ook. Ik hoorde dat voortdurend. En ik weet zeker dat Connie Palmen dit vervolgens in 2006 ook te horen kreeg van diezelfde trouwe kijkers. En nu Bas Heijne dit jaar aan zet is, kan Joris Luyendijk zich vast voorbereiden op soortgelijke taferelen in en buiten de supermarkt. Dat heeft niets te maken met de feitelijke verrichtingen van de presentator, en alles met de onwrikbare wet dat vroeger alles beter was.

Als er één talkshow is die in de herinnering van kijkers mythische proporties heeft aangenomen, dan is het wel Hier is.... Adriaan van Dis. In het boekje dat bij de nu verschenen vijfdelige dvd-box met honderd gesprekken is gevoegd, kijkt Van Dis wederom met gemengde gevoelens terug op de toenmalige tv-recensenten. Van Dis: ‘Hier is... lijkt wel als een zomer van vroeger; altijd mooi weer. Maar als je de kritieken van toen erop naslaat, lees je wel anders. Het miezerde slechte recensies. Wat heb ik op mijn donder gekregen. Ik was te deftig en te elitair. Voor de Volkskrant was ik een corpsbal in een jasje van de roeivereniging. Vrij Nederland zag de eerste vijf jaar bijna niets in het programma.’

Wie dit leest, denkt misschien dat Van Dis hier overdrijft. Maar voor de aardigheid heb ik een aantal van die oude televisie-recensies opgevraagd en ingezien – en ik moet zeggen: Van Dis is nog mild in zijn terugblik. Meer dan eens werd hij geflileerd. Welke oelewapper praat er nou zo bekakt? Waarom laat hij zijn gasten niet uitpraten? Hoe zelfingenomen en narcistisch kun je wezen? Und so weiter.

Vooral dat laatste verwijt is bij het terugzien van de selectie van honderd gesprekken nauwelijks te begrijpen. Hier is.... Adriaan van Dis wordt inmiddels gekoesterd vanwege de gesprekken op niveau die bovendien langer dan vijf minuten mochten duren. Maar wat bij het terugzien van veel gesprekken opvalt, is de ongeveinsde bewondering van de gastheer voor zijn gasten. Van Dis probeert in bijna alle gesprekken het beste in zijn gasten naar boven te halen. De ander mag ten volle gloriëren. Die ambitie het beste in je gast naar boven te halen is nu vrijwel taboe op de Nederlandse televisie.

Aan sommige gesprekken die ik op dvd terugzag, bleek ik verkeerde herinneringen te hebben. Het gesprek met Sartre-biografe Annie Cohen-Solal stond me bij als één langgerekte flirt tussen gastheer en gaste. Dat viel reuze mee. De reden dat zoveel mensen destijds de Sartre-biografie kochten, moet toch echt te maken hebben met de beeldende en aanstekelijke manier van vertellen van Cohen-Solal. Er werd in dat gesprek van bijna twintig minuten hoogstens één minuut een flirterig gebbetje gemaakt.

De interviews op vijf dvd’s zijn gebundeld tot groepjes van drie, en iedere bundeling wordt voorafgegaan door een korte terugblik van de presentator zelf. Vaak is die terugblik instructief, soms ook onthullend. Aan het gesprek met Gerard Reve bewaart Van Dis gemengde herinneringen. Eindelijk mocht hij de bewonderde Volksschrijver ontmoeten en zelfs interviewen, maar de conversatie viel toch wat tegen, aldus Van Dis. En niet alleen de conversatie. Van Dis vertelt dat Reve een muf en groezelig pak droeg en dat zijn gebit er wrak en roestig uitzag. Tot overmaat van ramp riekte de schrijver ook nog. Na die onthulling is het bijna onmogelijk om nog onbevangen het gesprek met Reve terug te zien. De wetenschap dat er een onwelriekend mens bij Van Dis aan tafel zit, leidt de aandacht af van het gesprek.

In het boekje bij de de dvd-box stelt Van Dis ferm dat hij nooit meer een boekenprogramma zal presenteren. Dames van zekere leeftijd hoeven hem dus niet klem te zetten in de Albert Heijn (of in supermarkten in Parijs). Dit ‘njet’ is wel zo verstandig. Van Dis kan de tv-recensies natuurlijk voorspellen zodra hij met een boekenprogramma zou terugkeren. Eenstemmig zal iedere tv-recensent hem afserveren, hem om de oren slaand met het cliché: vroeger was hij beter. Zónder die terugkeer kan de conclusie nog royaler zijn: vroeger was hij de beste.

Joost Zwagerman