Tijd om te nemen, tijd om te geven

Binnen twee weken adviseert de Raad voor Cultuur de minister van kunstzaken over de subsidieaanvragen waarmee 266 kunstinstellingen de komende vier jaar verder kunnen, of niet. Teleurstellingen zijn niet uitgesloten. Het is voor iedereen een pijnlijk moment van afhankelijkheid. De staatsruif of de vergetelheid. Het is tijd voor nieuwe gevers.

In Rotterdam en Amsterdam brachten de Kunstraden kortgeleden adviezen uit die het nodige stof deden opwaaien. De Rotterdamse Kunsthal moest maar dicht, het Holland Festival moest wat Amsterdamser en internationaal minder ambitieus zijn - het zijn wel het soort voorstellen waarmee discussie wordt losgemaakt.

In Amsterdam werd bij die gelegenheid een structureel tekort van 19 miljoen euro geconstateerd op de exploitatie van kunstgebouwen. Daarvan zijn er nogal wat neergezet de laatste jaren: het Muziekgebouw aan het IJ, vier zalen in het nieuwe Conservatorium op het Oosterdokseiland, en in Zuidoost wordt meer capaciteit gepland. Zonder dat steeds budget is vrijgemaakt om er ook iets moois te doen na oplevering.

Nieuwbouw is een leuk gebaar. Politici verlangen dat in die kunstgebouwen sociaal-culturele doelen worden gediend, bevolkingsgroepen moeten meedoen, er moet worden gemengd en geleerd, en het mag niet bij het oude blijven: vernieuwen is een permanent gebod. Dat de zalen daarbij vaak leger blijven ligt aan het publiek, reden om nog wat extra uit te geven aan educatie.

Voor sommige kunstvormen en kunstenaars is het korset van politieke wenselijkheden knellend. Mahler bij het Concertgebouworkest blijft in grote lijnen Mahler. Dat gebouw kwam er ooit omdat een aantal Amsterdamse zakenlieden eind negentiende eeuw meenden dat het tijd werd voor een zaal waar klassieke muziek in de best mogelijke omstandigheden kon worden gespeeld en genoten. Het gebouw verrees in de polder, niet helemaal toevallig buiten de Amsterdamse stadsgrenzen van toen.

Ook de restauratie van het Concertgebouw dertig jaar geleden was vooral een particuliere inspanning. Het nu 120 jaar bestaande gebouw, met al zijn internationale faam en uitstraling, heeft wel te maken met de toenemende concurrentie van publiek gefinancierde zalen in de naaste omgeving. Ondanks een ongehoord aantal van 800.000 bezoekers en 900 concerten per jaar, moet Nederland’s beroemdste kunstgebouw alle zeilen bijzetten om zijn toekomst te verzekeren.

Hoeveel betaalt de Nederlandse staat om de best bezochte klassieke concertzaal ter wereld in stand te houden? Het goede antwoord luidt: nul euro. Het Stedelijk Museum in Amsterdam, dat al jaren in ballingschap leeft in het postgebouw bij het Centraal Station, en binnenkort helemaal virtueel wordt voordat het eindelijk terugkeert naar het Museumplein, wil twee miljoen per jaar extra van de gemeente omdat de nieuwe glazen hal meer stookkosten maakt. De Kunstraad stelt voor dat niet te doen. Wie gaat het verschil betalen?

Rijk en gemeentes willen allerlei sociale en politieke doelen dienen met evenveel of minder geld. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar dan is wel nodig dat een nieuwe klasse van gulle gevers zich meldt. Gelukkig is die beschikbaar. De discussie over de topinkomens is tot nu toe blijven steken in dreigementen van de kant van het bedrijfsleven (we gaan weg als jullie ons pakken) en pogingen de jaloezie in te dammen met codes en halfhartige wetsontwerpen die eerder het bedrijf dan de genieter van topinkomens aanpakken.

Het is tijd de nieuwe rijken te verwelkomen, zowel in het echte als in het statelijke bedrijfsleven. Gefeliciteerd, u beweegt zich met succes op de internationale arbeidsmarkt, mensen van uw kwaliteit zijn niet voor een Hollands prijsje te huur, u meet zich met besten op de door Amerikaanse prijzen gedicteerde markt van toptalent. Maar als u zich toch spiegelt aan Amerikaanse normen en gebruiken, dan heeft u in de VS vast ook kennisgemaakt met hun sterke traditie van sociale verantwoordelijkheid?

Bij ons werd in 2005 volgens het tweejaarlijkse onderzoek Geven in Nederland (Th. Schuyt c.s., 2007) 0,9 procent van het bruto binnenlands product gegeven aan min of meer goede doelen: 18 procent aan kerken, 17 procent internationale hulp, 16 procent sport en recreatie, 12 procent maatschappelijke en sociale doelen, 11 procent gezondheid, 8 procent milieu, natuur, dieren, 7 procent cultuur, 6 procent onderwijs en onderzoek.

In de Verenigde Staten wordt 2,2 procent van het bruto binnenlands product geschonken. Driekwart van die liefdadigheid wordt verricht door personen. In Nederland wordt maar 42 procent gegeven door individuele gevers of gezinnen. Daar zal de groei vandaan moeten komen. Het bekende tegenargument: ik betaal al zo veel belasting, overtuigt niet meer. De betrokkenen hebben uitstekende mogelijkheden om hun belastinglast te beperken. De inkomens zijn bovendien zo hoog, dat er nog tonnen, zo niet miljoenen overblijven.

Als we willens en wetens toegroeien naar meer Amerikaanse verhoudingen op het gebied van remuneratie en honoreringsverschillen, als we accepteren dat de nationale morele verhoudingen en tradities daarop geen greep kunnen krijgen op straffe van degradatie naar de internationale onderbond van industriële naties, dan hebben de spelers in die champions league ook geen goede gronden meer om op hun centen te blijven zitten en heen en weer te jetten tussen hun eerste, hun tweede en hun derde huis.

Geven geeft unieke expressiemogelijkheden. Oud geld weet dat al. De juridische en zakenfamilie De Pont heeft met het gelijknamige kunstmuseum in Tilburg en het fotografische Huis Marseille in Amsterdam twee unieke centra voor schoonheid gecreëerd. In Duitsland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten bestaan talloze particuliere geefsuccessen. Het nieuwe Museum of Modern Art in Manhattan is er een megavoorbeeld van.

Als Nieuw geld ook de vreugde inziet van geven naar eigen smaak, voorkeur en inzicht worden onderwijs, kunst en wetenschap minder eenzijdig afhankelijk van Overheidsinstemming. Wie bij de ingang van de Spiegelzaal in het Concertgebouw de donatiemuren bekijkt, ziet dat er nog plaatsjes vrij zijn. Veel huidige gevers blijven liever anoniem. Maar de Nieuwe Rijken zijn toch al bekend. Wie wat aanzien wil herwinnen, kan dat, door te geven op naam.

Lees ook de discussie over controle op goede doelen op nrc.nl/discussie.