‘Thomses’. That’s me

De schrijver P.F. Thomése is op een literatuurfestival in New York. Thomése (50) woont in Haarlem met zijn vrouw Makira (38) en hun zoons Frederik (4) en Pieter (2). „Stuur de rekening maar naar God.”

Vrijdag 25 april

Al dagenlang regent het per e-mail uitnodigingen van culturele instituten. Cocktailparty hier, receptie daar. De ambassadeur, de cultureel attaché, de consul-generaal, iedereen heet mij welkom. Vandaag had ik er weer een paar in de mailbox. Zijn ze eigenlijk wel aan mij gericht? Instituto Cervantes, Deutsches Haus, Hungarian Cultural Center, de Franse ambassade. Alles ter ere van de literatuur, de cultuur en het vrije woord. En steeds heet Chairman Salman Rushdie mij of wie dan ook hartelijk welkom. Namens zichzelf, namens de cultuur, de literatuur en het vrije woord. Wie groot wil worden in de literatuur dient zich te bekwamen in het handenschudden. Al veegt iedereen zijn eigen kont af met die handen, jij zult ze schudden. O ja, cocktailparty na afloop van de Arthur Miller Freedom to Write Lecture door Umberto Eco en Adam Gopnik.

En dan de inleiders, gespreksleider etc, Hi Franz, Hello, great. Het lijkt wel spam. Want to enlarge your penis? Call 212-5642899765.

Ik laat alle mail onbeantwoord. Even nog geen zin om echt te bestaan.

Zaterdag

Op internet alvast vrijblijvend een kijkje genomen in het hotel waar ik straks als gast van het PEN World Voices Festival of International Literature word ondergebracht. Even de amenities checken. Je weet maar nooit waar je terechtkomt. Hoewel ik, sinds ik uitsluitend nog op uitnodiging reis, altijd (te) goed zit. Ik herinner mij het Savoy Hotel in Berlijn, de Goodenough Club in Londen en hoe heet dat ding in Parijs? Het voor mij gereserveerde Roger Smith Hotel is hierop geen uitzondering. Parmantig gelegen aan Lexington Avenue, uitzicht op de East River en Eggs Benedict voor het ontbijt. Scott Fitzgerald en noem ze maar op, de mondaine, bereisde jongens uit de fijne letteren, hadden het niet beter gedaan. Stuur de rekening maar naar de uitgeverij, naar de organisatie, de directie, weet ik veel, de Nederlandse literatuur of gewoon direct naar God.

De vorige keer dat ik in New York was, wist niemand dat ik kwam. Ik verbleef in een hotel zo groot als een stad, waar ik steeds verdwaalde omdat de nummers maar tot de 1000 gingen en dan gewoon opnieuw begonnen. Elke keer kwam ik bij een andere deur uit. Soms waren het volledig ingerichte kamers, met planten en schemerlampen ter imitatie van echte huiselijkheid. Ik werd altijd vriendelijk opengedaan en de betreffende bewoner wenste me veel succes bij mijn verdere pogingen. Niet dat het in wezen iets uitmaakte waar ik binnenging, want mijn ‘eigen’ kamer deelde ik – om reden van armoede – met drie onbekende gasten: een Zweedse aspirant-architect die zich dolgraag ‘door Manhattan wilde laten inspireren’, een Noorse John Travolta-bewonderaar die elke avond ergens in Brooklyn de disco van Saturday Night Fever bezocht en dan ’s nachts onder de dekens hevig lag te rukken, en ten slotte een Franse ingenieur, op doorreis naar North of South Dakota, die elke avond de ingelijste foto’s van zijn twee kinderen tevoorschijn haalde, naast de Noorse tissuebox op de gemeenschappelijke tafel plaatste alsof het heilige iconen waren en dan onbedwingbaar moest schreien.

Zondag

Met Frederik hier in Haarlem op de Grote Markt naar de kermis geweest. Speciaal voor de ouders draaien de getatoueerde prinsen van de nacht bij de kinderattracties het gouwe ouwe kermiswerk. Ik word weer gelukkig zoals ik vroeger nooit geweest ben. De kermissen van vroeger! Jambalaya van The Carpenters, Sex Bomb van Tom Jones, gatverdamme wat heerlijk. En mijn grote kleine jongen maar zijn rondjes draaien in een botsautootje waar een tijger op gepaintbrushed is – met die ontzagwekkende ernst van hem, alsof hij de Dodezeerollen aan het ontcijferen is.

Ik kijk naar hem, en ik mis hem.

Maandag

De reisangst c.q. reishaat krijgt me nu toch bij de kladden. Heimwee, nu al, naar mijn werkkamer, waar ik elke dag mijn ongeschreven boeken droom. Heimwee naar mijn niet-in-de-wereld-bestaan.

Wat ging ik daarginds ook alweer doen? Door de aanhoudende e-mails (Hello P.F. Thomese!, Hi Franz! How is your penis today?) word ik bruut herinnerd aan het maatschappelijk belang van mijn missie. Ik moet op diverse podia van allerlei behartigenswaardigs gaan zeggen over het thema Public Lives/Private Lives, in dialoog met schrijvers die imponerende namen dragen als Thant Myint-U, Rabih Alameddine en Yael Hedaya.

Vreemd hoe het in je leven loopt. Ik ben gaan schrijven om niet te hoeven leven, om buiten of in elk geval aan de rand van de maatschappij te kunnen verkeren. En nu iederéén aan de rand is gaan zitten wordt de schrijver ineens gezien als een gezaghebbende wijze in het middelpunt van de maatschappij, een voorbeeldburger, een soort sjamaan van wie de schitterendste levenslessen verwacht kunnen worden. Dus worden wij uitgenodigd op podia in forums plaats te nemen en in ernstige zaaltjes wijze woorden uit te kramen.

Samen met Makira mijn koffer gepakt, alsof het mijn doodskist is, en naar het Bill Evans Trio geluisterd, alsof het mijn begrafenismuziek is.

Dinsdag

Op Newark is iemand neergezet met een bordje ‘Thomses’. That’s me. Het is een schitterende jaren-’70-neger in de stijl van brother Isaac Hayes. Hij neemt me mee naar een parkeergarage, waar hij me in een geblindeerde limousine laat stappen. Klassieke scène. Eindigt veelal in een kofferbak of op een stukje waste land.

Vanaf de zachtverende, bioscoopstoelachtige achterbank, overigens ook zeer geschikt voor keiharde rappersporno, zie ik de skyline van Manhattan opdoemen – voordat we de Lincoln Tunnel induiken en kilometers later boven komen in die heerlijke kakofonie van claxons en sirenes, die geoliede chaos van verkeer dat stroomt en vastloopt, stroomt en vastloopt in de straten die duizend meter diepe ravijnen zijn.

Mijn hotelkamer blijkt een gigantische executive suite te zijn op de veertiende verdieping, met uit alle vijf de ramen uitzicht op East 47th Street.

’s Avonds met de subway naar de Upper East Side, voor de openingsreceptie in de Franse ambassade. Chairman Rushdie, met zijn rug naar het Central Park, heet ons allen welkom namens het vrije woord, de vrije mens en de literatuur in het algemeen. En verder, Salman? ‘That’s all, I’m afraid.’ Daarna duikt iedereen beleefd op de champagne. Ik herken een paar schrijvers: Ian McEwan, Peter Esterhazy, Bernard-Henri Levy, en natuurlijk de Nederlandse delegatieleden Anja Sicking en Arnon Grunberg. Dat zijn er vijf (op de honderdvijftig). En ’s nachts in bed weet ik er ineens nog een: verrek, die met die witte baard was Michael Ondaatje, een schrijver die ik nog best goed vind ook. Zes punten. Door naar de volgende ronde.

Woensdag

Mijn eerste optreden is in Crosby Street, om de hoek bij Bleecker Street, diep in Soho, een gebied dat ik al jaren ken uit de Lives & Times van mijn favoriete huiszanger Bob Dylan. De locatie is een huiskamerachtig ingericht antiquariaat in zo’n pittoresk zwartgeblakerde zijstraat waar het vuil nog niet is opgehaald.

Hi, zeg ik tegen iedereen, I’m Franz, maar het maakt niet uit, ik wil best iemand anders zijn als jullie dat graag willen. Wonderful, zeggen ze, great, en dan: well... Yep, zeg ik, daar staan we dan hè?

We, dat blijken György Dragoman (Hongarije), Yael Hedaya (Israël), Stacey d’Erasmo (USA) en P.F. Thomése (the Netherlands) te zijn.

Pal voor het podiumpje staat een lege stoel, waar we niet op mogen zitten, vanwege een Chinese collega wiens naam ik niet heb verstaan. Hij kan er helaas niet bij zijn vanavond, mensen, want hij wordt op dit moment vervolgd vanwege zijn ideeën en/of geaardheid. Wie, vraag ik, maar niemand heeft de naam paraat. Ook kent niemand enig boek of gedicht van hem. O is hij een dichter dan, vraagt iemand. Please mag ik nog even uw aandacht, op de toonbank staat een potje, zegt iemand anders weer, daar mag je een symbolisch bedrag achterlaten. Nee, niet voor de Chinees. Deze actie is voor aids, zegt de mevrouw die over de Chinees gaat, en valt buiten de verantwoordelijkheid van de PEN organisatie.

En dan mogen/moeten wij, de extremely interesting auteurs van all over the world. Daar zitten we dan naast elkaar op het podium, terwijl het honderdkoppige publiek ons verwachtingsvol aanstaart. Ja, daar zitten we dan, zegt György Dragoman in een soort Engels.

Donderdag 1 mei

Ik zit achter een van Anja Sicking haar man, de bekende jurist en oud-voetballer Karl Kessler, geleende MacBook Pro de onbegrijpelijke toetsen van het Apple-systeem uit te proberen, in de hoop zonder aanvallen van anti-technische razernij deze notities verzendklaar te maken.

Om mijn zinnen te verzetten ga ik ouwe boeken kijken bij Strand, op Broadway pal achter Union Square, een topzaak voor liefhebbers, waar meer schrijvers dood staan te wezen dan er op alle literaire festivals ter wereld ooit tot leven zullen komen.