Ook autistisch kind is gebaat bij tegen zichzelf praten

Voor autisten is het voeren van een gesprek moeilijk omdat ze de signalen die de ander uitzendt vaak niet opmerken of niet begrijpen. Maar die problemen hebben ze niet als ze tegen zichzelf praten. ‘Private speech’ kan ook autistische kinderen daarom helpen bij het plannen en uitvoeren van moeilijke taken, net zoals het helpt bij kinderen zonder autistische stoornis. Dat schrijft psycholoog Adam Winsler van de George Mason Universiteit in Fairfax in Journal of Autism and Developmental Disabilities van maart 2008. Samen met vier andere psychologen van verschillende Amerikaanse universiteiten vergeleek hij de private speech van autisten met die van ‘normale’ leeftijdgenoten en van kinderen en jongeren met de aandachtstoornis ADHD.

Eerder toonde Winsler al de kracht van private speech bij kleuters met en zonder ADHD aan. Die presteerden beter bij het uitvoeren van motorische opdrachten als ze er hardop bij mochten praten, zo bleek. Vooral de kinderen met ADHD bleken er baat bij te hebben. Dat dit ook geldt voor autistische kinderen was voor Winsler een verrassing. Hij deed zijn onderzoek eigenlijk om meer duidelijkheid te krijgen over de verstoring bij autisten van de zogenoemde ‘executieve functies’, de denkprocessen die cruciaal zijn voor het plannen en uitvoeren van taken en het oplossen van problemen. Winsler wilde met name onderzoeken welke rol taal daarin speelt.

Voor het onderzoek gebruikte hij testen die een beroep doen op deze executieve functies. Zoals een computerspel met kaarten met figuren in verschillende vormen en kleuren erop. De speler moet steeds beslissen hoe hij de volgende kaart op de voorbeeldkaarten moet leggen, waarbij het ordeningsprincipe telkens wordt veranderd. Bij een andere test moest uit stukken pijp van verschillende lengtes gekozen worden om precies een opgegeven lengte te krijgen. Voor het onderzoek waren 21 ADHD’ers, 33 autisten en 28 ‘normale’ kinderen en jongeren tussen 7 en 18 jaar geselecteerd, normaal intelligente kinderen (ook de autisten) uit voornamelijk blanke gezinnen. Na de uitleg werden ze alleen gelaten om de opdrachten uit te voeren. Al hun uitingen daarbij werden opgenomen en zorgvuldig geanalyseerd. Tegen de verwachting in praatten de autisten niet anders in zichzelf dan de andere kinderen en waren hun uitingen net zo behulpzaam bij het uitvoeren van de taken, hoewel ze wel meer fouten maakten of eerder opgaven. Volgens Winsler biedt deze uitkomst de mogelijkheid om te onderzoeken hoe private speech kan worden ingezet bij therapie. Marlies Hagers