Muziek voor gescheiden mannen

Je wilt er niet bij horen maar toch grijpt de muziek je soms bij de keel. Country voor mannen met colbertjes, met een hypotheek van heb ik jou daar. Is dit een sekte? Verkenningen in de wereld van Americana.

Saaie boel, denk je na een kwartier. Wat doe ik hier nog? Wat een duffe muziek, en wat een raar volk. Je kijkt om je heen: je lijkt omgeven door het middenkader van Unilever dat een uurtje vrij heeft genomen. Of liever, de mannelijke medewerkers zijn er met zijn allen eens gezellig uit. Vrouwen zie je niet veel tijdens een popfestival als dit, en voor zover ze er zijn, lijken ze vooral door manlief te zijn meegenomen. Manlief van zo te zien minstens veertig jaar oud. Popmuziek voor middelbare mannen met colberts: allemachtig, waar ben je beland? Je bekijkt jezelf en je constateert dat je tamelijk ongemerkt in het gezelschap opgaat.

Met een sip gemoed wil je weg, totdat, ja, totdat je zelf wordt gegrepen. Ineens helemaal in de ban van het zoveelste liedje op een voortsukkelend ritme, mogelijk begeleid door het getokkel op een gitaar of door een slide-gitaar en eventueel door, nee toch, een viool, of – help! - door een wasbord en als werkelijk alles tegenzit een zingende zaag. Welkom in de wereld die Americana heet.

Je begeeft je tussen liefhebbers van een muziekstroming waarvan de exacte duiding een verhaal op zich is, en dan nog zouden de aanbidders na lezing langdurig met elkaar in debat gaan over de vraag of de genoemde artiesten wel echt tot Americana mogen worden gerekend. Want het luistert nauw. Zoals in alle minderheidsgroeperingen is het van het grootste belang of iets of iemand erbij hoort of niet en leiden zulke kwesties tot ernstige en oeverloze discussies, een betere zaak waardig.

Simpel gezegd laven de veertigers, vijftigers en zestigers op een festival als Blue Highways (vorige week in Utrecht) en Take Root (najaar, Groningen) zich aan een mengeling van country met rockmuziek, of met rythm & blues. Soms neigt het naar harde rock, dan weer naar zweverige Ierse folk, alles is best zo lang het maar niet uitdraait op ouderwetse country. Zangers in witte pakken met van die slierten aan hun ellebogen en met cowboyhoeden zijn fout; zangers die erbij lopen als een gemiddelde rockartiest maar die toch elementen van country & western overnemen, zijn juist weer helemaal in orde.

Voor liefhebbers van deze alternative country ligt die scheidslijn bijzonder gevoelig. Zeg tegen zo iemand dat de muziek die hij opzet wel iets wegheeft van John Denver en hij spreekt jarenlang niet meer met je; noem Steve Earle of John Russell en je hebt een vriend voor het leven. Geen van deze drie artiesten loopt weg voor een forse dosis getokkel en gejengel, en alle drie bezingen ze het Amerikaanse platteland, de eenzaamheid van een dronkaard op een lange, lange weg naar nergens, maar je moet wel dondersgoed weten dat de laatste twee nog niet dood aangetroffen willen worden in het domein van de eerste. Anders heb je een probleem. Patty Griffin mag graag een liedje zingen van Dolly Parton, maar de aanhangers van Americana kopen alles van Griffin en niets van Parton. Snap je?

Het publiek dat vorige week door de gangen van Muziekcentrum Vredenburg van de ene zaal naar de andere stiefelde (zonder voordringen, zonder schreeuwen, geen bierspetters in je nek), hoefde je dit allemaal niet uit te leggen. Die mensen vegen alles wat riekt naar Nashville, Tennessee met een vies gezicht in de hoek: te conservatief, te burgerlijk en behaagziek, te commercieel. Te blank, al zie je bij gelegenheden als deze uitsluitend blanken. Ze luisteren naar de paar radioprogramma’s die speciaal voor hen zijn bestemd en die daarom – vinden zij zelf – zijn aangewezen op de rafelranden van de de week. Op prime time komen ze niet aan de bak. Programma’s als American Connection en For the Record vind je in de nachtelijke uren of op nauwelijks beluisterde zenders. En er is erg veel ‘alt.country’ op het internet. In speciaalzaken kopen ze tijdschriften met een hoog undergroundgehalte, vol geheimtaal en artiesten die verder niemand kent, wat de aantrekkingskracht alleen maar verhoogt.

Jazeker, misschien dacht je even op te gaan in een gezelschap van Saabrijders met een gezamenlijke hypotheekrenteaftrek van heb ik jou daar, in werkelijkheid dompel je onder in een regelrechte tegencultuur. Deze mensen zijn tegen. Op wie deze beschaafde Nederlanders later dit jaar ook zouden stemmen als ze mochten meedoen aan de presidentsverkiezingen in de VS: niet op een Republikein. Een brandhaard van Americana is de studentenstad Austin, waar linkse jengelaars en tokkelaars alles doen om maar niet te lijken op de rest van Texas, de staat van George W. Bush. Dit verweer tegen het Amerikaanse establishment - en, op een bepaalde manier, tegen ieder establishment, zolang de hypotheekrente niet in gevaar komt – is onder Americanaliefhebbers bijna voelbaar aanwezig. Sinds de founding fathers van deze subcultuur, Gram Parsons en Dan Penn, rond 1970 de bekende countrymuziek opfristen met hippie-achtige invloeden, ontwikkelde zich een linksige sfeer van tegen de oorlog in Vietnam, tegen kernwapens, tegen de doodstraf, tegen het militair-industriële complex, en nu is men ongetwijfeld tegen de oorlog in Irak. Niet toevallig is de VPRO een belangrijk medium voor deze groepering, en voormalig presentator van die omroep Jan Donkers – inmiddels met de VUT - een voorname spreekbuis.

Ieder jaar is het weer bommetjevol in Vredenburg (en in Groningen, en op andere plekken van de alternatieve country) – de harde kern stroopt alle optredens af. Op deze manier is oud niet hetzelfde als verzadigd. Ergens in de archaïsche klanken van banjo’s en trekharmonica’s schuilt de suggestie van anders zijn, van met je tijd meegaan, van nadenken over de wereld, van intellectuele onvrede. Van liever de zoveelste nieuwe zangeres uit Greenville of New Orleans dan de zoveelste remix van Hotel California. Al zingt die nieuwe zangeres dan waarschijnlijk een liedje waarvan je de essentie na het wegsterven van de laatste klanken alweer bent vergeten. Americana herbergt behalve knappe muzikanten ook een eindeloze stoet van zeurderige, tegen Bob Dylan aan leunende singersongwriters voor wie de geringste oprisping van de ziel voldoende aanleiding is voor drie minuten monotoom Texaans geneuzel. Maar ze brengen steeds weer cd’s uit met nieuwe liedjes, en de kopers ervan lopen er nog het zo verheugd mee naar huis als toen ze jong waren.

Door heel Nederland vind je ze, in popzalen als Paradiso in Amsterdam, Paard van Troje in Den haag, 013 in Tilburg of het Patronaat in Haarlem. Zo te zien zouden ze het liefst meteen naar het Zuiden van Noord-Amerika gaan, eindeloos tuffen langs stoffige, lege snelwegen - blue highways - met talloos veel alternatieve country in je radio, man, dat is pas leven. De barden uit die regionen worden ook hier begroet als halfgoden, al konden ze naar uiterlijk je buurjongen zijn. De namen van de halfgoden zeggen de gemiddelde muziekliefhebber niets, maar een line-up als Mary Gauthier, Fred Eaglesmith, Greg Trooper, Chuck Prophet, Dayna Kurtz en Malcolm Holcombe brengt de diehards van Americana in vervoering. Onder hen, de gelovers, zijn ze wereldberoemd. Het alternatieve eerbetoon aan de Amerikaanse roots creëert vrijwel geen topveertig hits, en toch, in deze ondergrondse en toch zo gesettelde subcultuur brengt het knauwen en krassen meer legenden voort dan de buitenstaander zal vermoeden. De buitenstaander ziet woest vrouwenhaar boven een heen en weer zwiepende harmonica en denkt in een rare sekte te zijn beland; de kenner ziet een vertolkster van een veelzijdig genre dat steeds weer met nieuwe helden op de proppen weet te komen.

Je ziet het keurig geklede midlifepubliek, tevreden starend over een glas rode wijn naar zo’n knaap met een Spaanse gitaar. Zijn teksten versta je niet of nauwelijks, maar je rekent erop dat hij een serieus verhaal brengt, liefst een beetje somber. Deuntjes over je eerste liefde zijn niet echt de bedoeling. Die zijn voor kinderen, voor popmuziek. Loom zingen over het verloren geluk is het helemaal. Uitdagend of sexy gedrag kom je haast niet tegen in deze kringen, mijmeringen over verwelkte jeugdliefdes des te vaker. Daarom noemen ingewijden dit wel muziek voor gescheiden mannen. Show? Verrassende effecten? Helaas, daar zijn de mensen niet voor gekomen.

Een van de weinige zangeressen die onder volgelingen nog wel iets te weeg wil brengen in het middenlijf is Lucinda Williams. Ze is de jongste niet meer, maar dat geeft niet, integendeel zou je haast zeggen. Americana is zo’n zeldzaam onderdeel van populaire muziek waarvan de vertolkers op hun veertigste vaak betere cd’s uitbrengen dan op hun dertigste. Voor wie zingt over verlies is het leven een inspiratiebron zonder einde. En wie dan ook nog eens rauw over fysieke geneugten kan zingen, zoals Lucinda Williams, die heeft dan toch weer iets extra’s te bieden. Een aankondiging van haar oversteek naar Europa brengt doorgaans al maanden van te voren een bijzondere opwinding te weeg, een opwinding die aanzwelt als het licht dooft en ze wordt aangekondigd. Dat gebeurde afgelopen najaar in het Patronaat in Haarlem. Je moest erbij zijn om het geloven. De zangeres die nog enigszins moest doorgaan voor een sekssymbool had haar geblondeerde haren tot vlak boven haar zwart omrande ogen gekamd, haar teksten las ze af van een soort lessenaar. Een jongeman diende steeds tijdig een bladzijde om te slaan, anders kende de diva van de alt.country de woorden niet meer die haar bewonderaars in de zaal zo konden meezingen.

Tussen haar boezem hing een groot katholiek kruis - een boezem overigens die het moest afleggen tegen het 57-jarige damesbuikje daaronder. Alternatieve country? Rollatorcountry zul je bedoelen! Het maakte de aanhangers niet uit. Dat Williams zich telkens naar haar bandleden draaide, in plaats van naar haar publiek, evenmin. Dat ze tussen de nummers door volstrekt onverstaanbare dingen murmelde nog minder. Misschien ging het daar ook niet in de eerste plaats om. Het was goed onder elkaar te zijn. Om samen te te genieten van het kwelen van deze – voormalige – southern belle, van haar ballads en stampers. Na de toegift en het aanfloepen van de zaallichten keek Chris Kijne nog verheerlijkt voor zich uit. Chris Kijne, roerganger inzake rootsmuziek, presentator van een VPRO-radioprogramma dat slechts op internet is te beluisteren omdat Americana uit de ether volgens hem is ‘weggeorganiseerd’, vond Lucinda Willams geweldig. Dat aflezen van die teksten, ach ja - wat gaf dat nou? „Dat deed Wim Kan toch ook?” Discussie gesloten.

Fanaten van de Americana krijg je niet snel klein. Desnoods halen ze hun gelijk bij een bejaarde cabaretier van begin jaren tachtig. Handen af van onze roots!

Pardon: ónze roots? Down from the Mountain heet het programma van -Kijne, dj in een land zonder bergen. Zoiets kom je nou alleen tegen in een subgroep als deze. Bij de adepten van helden die nooit slechter lijken te worden, alleen maar ouder. Zoals Willy Nelson. De zeventig al lang gepasseerd maar niks minder dan vroeger, helemaal anti-Bush en voor het milieu én voor de VS als zodanig, getuige zijn hoofddoek met Stars and Stripes. Miskend zijn ze ook een beetje, altijd weer, een minderheid vechtend tegen de boze buitenwereld. Dat zie je dan allemaal aan in zo’n zaal. Je hebt hier niets mee, denk je, hier wil je niet bij horen. Dat Amerikaanse gevoel dat al die mensen voorwenden te hebben, is dat niet hartstikke fake?

Maar dan gebeurt het. De ijle stem van Patty Griffin vult het bovenzaaltje van Paradiso. Je hoort lichte tonen van een akoestische gitaar, je blijft staan. Op het podium een magere vrouw van in de veertig met lieve ogen en kleren die een verleden oproepen van hippie en hasj. Zingend neemt ze afscheid van de vertrouwde wereld uit haar jeugd, nog een keer beziet ze het honkbalveld waar het gras is veranderd in stro, vogels vliegen op… Zulke herinneringen héb je niet, nee, geen pitchersheuvel schiet je te binnen, wat moet je ermee, hou toch op. En plotseling kruipt er een rilling langs je rug omhoog, je ziet beelden, sportveldjes, stoeptegels heet in de namiddagzon, knikkers, vriendjes die je nooit meer hebt gezien en aan wie je eerlijk gezegd ook nooit meer hebt gedacht, waarom eigenlijk niet, je ziet hun ouders die mogelijk net zo dood zijn als de jouwe, begraven onder perkjes waar allang geen bloemen meer staan, veel te lang niet meer bezocht die graven, en alles gaat maar voorbij, wat een fouten heb je gemaakt die je nooit meer zult herstellen, de rilling bereikt je kruin, je voelt het prikken achter je ogen, je verzet breekt.

Ineens besef je waarom Amerikaanse clichés aan deze kant van de oceaan zoveel beelden kunnen oproepen, je rechtstreeks bij de strot grijpen, je soms verlammen. Het is de herkenning. Misschien wel het verlangen naar weidse landschappen vol weemoed en bespiegeling. Het is ouwelullenmuziek en, geef nou maar toe, jij hoort erbij.