‘Moeder India’ moet naar de stad verhuizen

Crisis in India. Als antwoord op een golf van zelfmoorden onder boeren die geen uitweg meer zien voor hun problemen, schold de regering hun schulden al kwijt. De meesten lijden armoe.

Akkerbouwer Lab Singh uit de buurt van Khanna, in de Indiase deelstaat Punjab, heeft geen weet van een voedselcrisis in de wereld. 10 rupees, 16 eurocent, per kilo krijgt hij van de overheid voor zijn tarwe. Dat is gemiddeld 2 rupees per kilo meer dan hij vorig jaar beurde. „Ik ben niet ontevreden”, zegt hij.

Vanochtend vroeg is Lab Singh (70) met zijn zoon op de tractor naar de markt van Khanna gereden. Zo’n 70 kwintaal, 7.000 kilo, tarwe hebben ze gebracht, schat hij. Nu moet hij wachten totdat het graan wordt gecontroleerd. Maar hij heeft de tijd, zegt hij terwijl hij met zijn hand door zijn grijze baard strijkt.

In Punjab, de graanschuur van India, is de voorjaarsoogst in volle gang. Maaidorsers trekken over de velden, terwijl in de naburige dorpen en steden de grote hopen tarwe worden overgeschept in duizenden jutezakken die de marktplaatsen bedekken. Langs de wegen staan lange rijen kleurrijk beschilderde vrachtwagens in de brandende zon, soms meer dan honderd achter elkaar. Zij vervoeren het graan naar grote loodsen waar het wordt opgeslagen.

De regering in New Delhi slaat het tafereel tevreden gade. Ooit dacht India voorgoed exporteur van tarwe en rijst te zijn geworden, maar twee jaar geleden moest het voor het eerst weer in het buitenland bijkopen om de voorraden op peil te houden. Ook vorig jaar werd graan geïmporteerd.

Maar gelukkig: juist nu de voedselprijzen op de wereldmarkt tot nieuwe recordhoogtes zijn gestegen en de oplopende inflatie in eigen land (boven de 7 procent) politiek pijn begint te doen, stevent India af op een recordoogst. Volgens minister van Landbouw Sharad Pawar hoeft India dit jaar geen tarwe te importeren. Waarschijnlijk is er zoveel, dat er ook reserves overblijven voor volgend jaar, sprak hij vorige week opgelucht.

Zo lijken de voedselproblemen voor India (1,1 miljard inwoners) alweer achter de rug. Maar schijn bedriegt. Dat wil zeggen: India kent geen voedselcrisis, maar wel een landbouwcrisis. En die is nog lang niet voorbij.

Echte hongersnood, waarvan in de jaren zestig voor het laatst sprake was, dreigt niet meer. Dankzij de snelle economische groei van de afgelopen jaren heeft India voldoende geld achter de hand om voedsel bij te kopen als de binnenlandse oogst door het uitblijven van regen eens tegenvalt. Maar tegelijkertijd geldt dat armoede nog steeds stevig is genesteld op het platteland. Er zijn veel te veel boeren en landarbeiders. De meesten lijden een marginaal bestaan.

Akkerbouwer Lab Singh uit de buurt van Khanna, die thuis op de boerderij ook nog tien buffels heeft en een deel van de melk verkoopt, zegt dat hij en zijn zoon de eindjes net aan elkaar kunnen knopen. Toch is hun bedrijf met circa 4 hectare land niet echt klein – naar Indiase maatstaven. Meer dan 80 procent van de boeren in India heeft niet meer dan 2 hectare, het leeuwendeel van hen ploetert op een stukje grond dat nog niet de helft daarvan omvat. Er zijn grote regionale verschillen, mede afhankelijk van klimaat en grondsoort, maar de overheersende trend is dat de gemiddelde omvang afneemt. Ook in Punjab en andere regio’s die relatief gunstig zijn voor de landbouw en waar de boerderijen van oudsher groter zijn.

Die versnippering heeft te maken met de Indiase cultuur en met wetgeving, zegt landbouweconoom Ramesh Chand, verbonden aan het National Centre for Agricultural Economics and Policy Research in Delhi. Zonen erven het land van hun vader in gelijke porties. Land verhuren doe je niet zo gemakkelijk, want het is moeilijk om de pachter later weer van je land af te krijgen.

Maar de echte oorzaak is het gebrek aan banen buiten de landbouw. Mahatma Gandhi zei dat ‘Moeder India’ in haar dorpen leeft. Ruim zestig jaar na de onafhankelijkheid wordt die pastorale idylle steeds ondraaglijker – met steeds meer mensen zonder echte baan in die dorpen. De agrarische sector draagt anno 2008 ongeveer 17 procent bij aan de totale Indiase economie. Maar 60 procent van de bevolking is nog steeds van de landbouw afhankelijk. Zo’n 650 miljoen boeren, landarbeiders en hun gezinnen houden elkaar gevangen in een web van verborgen werkloosheid. Zo’n 300 miljoen mensen op het platteland moeten zien rond te komen van minder dan 1 dollar per dag.

Die cijfers werden recentelijk nog eens gememoreerd door de Indiase minister van Handel en Industrie, Kamal Nath. Hij zei op een congres dat „een grote metamorfose” moet plaatshebben op het platteland. 200 miljoen arbeidskrachten moeten volgens hem worden overgeheveld van de landbouw naar de dienstensector en naar aanpalende industrieën op het platteland, zei hij. „Dat is onze opdracht.”

Dat is helder. De vraag is alleen: hoe verwezenlijk je zo’n exodus, die in China, India’s tegenpool, twee decennia geleden al op gang is gekomen? Waar haal je de alternatieve banen op het platteland vandaan? „Arbeid is ruimschoots voorhanden in India en is goedkoop. Je zou dus verwachten dat de industrie daarop inspeelt. Maar dat gebeurt niet”, zegt landbouweconoom Rames Chand. „De arbeidsintensieve industrie groeit maar zeer langzaam. Het is dus allemaal niet zo eenvoudig.”

In de landbouw zelf, zeggen Rames Chand en alle andere deskundigen, is een soort tweede ‘Groene Revolutie’ nodig – een verwijzing naar de dramatische verbetering van de opbrengsten vanaf de jaren zestig en zeventig door toepassing van nieuwe, hoogwaardige zaden, gebruik van kunstmest en door grote investeringen in irrigatie van landbouwgebieden. Dankzij de ‘Groene Revolutie’ werd India zelfvoorzienend.

De laatste jaren is de productiegroei weer teruggevallen. Qua productiviteit presteert de Indiase akkerbouwer slecht in vergelijking met zijn collega’s in het buitenland – al belooft dit jaar een gunstige uitzondering te worden nu de markt van Khanna en die van andere plaatsen in Punjab overspoeld worden met graan. De afgelopen jaren bedroeg de gemiddelde opbrengst van tarwe in India ruim 2.600 kilo per hectare. Een boer in China haalt gemiddeld meer dan 4.400 kilo van één hectare en een boer in Frankrijk ruim 6.700 kilo (cijfers over 2006). In feite is de beschikbaarheid van voedselgranen en dergelijke per hoofd van de bevolking in India de afgelopen tien jaar verminderd.

Volgens commentatoren is de stagnatie op het platteland het gevolg van verwaarlozing van de boeren door de politieke elite. „Dat beeld klopt slechts ten dele”, zegt professor Chand. De Indiase overheid en de deelstaten stoppen veel geld in de landbouw. Alleen gaat dat geld op aan voedselsteun voor armen en aan rechtstreekse subsidies voor boeren. In Punjab en in andere regio’s mogen boeren gratis stroom aftappen om water op te pompen voor hun velden – als de stroomvoorziening tenminste niet hapert. Boeren in India krijgen hun kunstmest met stevige korting op de marktprijs. Onlangs heeft de regering kwijtschelding aangekondigd van schulden van boeren bij banken – als antwoord op een golf van zelfmoorden onder boeren die geen uitweg meer zien voor hun problemen.

Zo is subsidieverslaving voor de politici in India electoraal een beproefd middel om grote groepen stemmers op het platteland aan zich te binden. Maar structureel schiet de Indiase landbouw er weinig mee op. Integendeel: door het overvloedig gebruik van water, dreigen juist in Punjab grote milieuproblemen. Beter zou zijn, zeggen de deskundigen in koor, om de investeringen op te voeren: in de aanleg van wegen, in verstandige irrigatie, in voorlichting en onderwijs, in toegepast onderzoek en de overdracht van technologie, en in diversificatie van productie. Maar dat zijn langetermijnoplossingen. India is een grote, levendige democratie: altijd zijn ergens wel verkiezingen op komst, en volgend voorjaar gaat heel India naar de stembus om een nieuwe regering te kiezen. Dit zijn geen tijden om boeren van je te vervreemden door te snijden in subsidies.

Misschien komt de oplossing van de nieuwe, snelgroeiende middenklasse. Over de omvang wordt nog geredetwist. Schattingen variëren van meer dan 50 miljoen tot meer dan 350 miljoen op dit moment, afhankelijk van de inkomensgrens. Maar één ding is zeker: er komen meer welgestelden bij, en die willen allemaal, zeggen marketingdeskundigen, duurder, hoogwaardiger en verser voedsel op tafel. Op die vraag moet de Indiase boer inspelen, adviseren dezelfde marketingdeskundigen.

Maar ook dat is nog niet zo eenvoudig. In steden verschijnen de eerste supermarkten. Die hebben vers fruit en verse groenten in de koeling liggen, en zijn doorgaans goedkoper dan de stalletjes op straat. Maar vorig jaar augustus gelastte de regering van Uttar Pradesh, de volkrijkste deelstaat van India maar ook een van de meest onderontwikkelde, de sluiting van alle winkels van de versgoedketen van Reliance. Premier Mayawati besloot daartoe na hevige protesten van kleine winkeliers, straathandelaren en tussenverkopers in Lucknow en in Varanasi. Ook zij stemmen.

Ook Mohamed Ilas (25) uit de buurt van Maler Kotla in Punjab verkocht vorig jaar een deel van zijn oogst aan bloemkolen direct vanaf de boerderij aan een inkoper van Reliance. Hij kreeg een rupee per bloemkool meer dan op de groentenmarkt van Maler Kotla. Maar de heren van Reliance zijn dit jaar niet meer komen opdagen, waarom weet hij ook niet, en nu moet hij weer elke ochtend naar de markt om zijn kool, uien, komkommers en andere groenten te verkopen aan de tussenhandel. Net zoals zijn vader deed. En zijn grootvader. „Ik zou niet weten hoe ik het anders zou moeten doen”, zegt Mohamed Ilas.

Maar toch: sommige boeren hebben wel een uitweg gevonden. Bhupinder Singh Dhindsa (48) en zijn vier jaar oudere broer uit Amargarh verbouwen ook tarwe en (later in het jaar) rijst, net zoals de meeste boeren in Punjab. Maar hun belangrijkste bedrijvigheid is het oogsten van bloemzaden. Die exporteren ze over de hele wereld. Hun grootste afnemer zit in Nederland, maar ze doen ook zaken met zaadbedrijven in Duitsland, Polen, de Verenigde Staten, Japan en Hongkong.

Bhupinder Singh Dhindsa kijkt elke dag uit over kleurrijke velden met honderden verschillende variëteiten aan bloemen. Meer dan twintig jaar geleden begon zijn broer met het telen van bloemen om hun zaad, na een tip van zijn hoogleraar aan de Agrarische Universiteit van Punjab. De gedacht was: als het in Nederland kan met grijs weer, moet het hier met de zonneschijn helemaal kunnen. Nu hebben ze hun bedrijf in Amargarh (ruim 40 hectare waarvan 16 met bloemen) en laten ze in opdracht bloemen telen in de omgeving van Bangalore (in totaal meer dan 400 hectare) in het zuiden van India. En pas geleden zijn ze ook begonnen in Kashmir.

Schaalvergroting is onontkoombaar, zegt Bhupinder Singh Dhindsa. „Punjab kan zich niet zoveel kleine boeren veroorloven”, zegt hij. Maar ook Bhupinder Singh Dhindsa vindt: het terugtrekken van de beschermende overheidshand kan niet van de ene op de ander dag. Particuliere ondernemers en de vrije markt moeten de overhand krijgen. „Maar dat moet geleidelijk aan gebeuren”, zegt hij. „De kleine boeren kunnen niet overleven zonder subsidies.”