Mensen vergeten of ze gereanimeerd willen worden

Mensen onthouden vaak slecht wat ze in hun eigen wilsverklaring hebben opgeschreven over de medische behandelingen die ze nog willen krijgen als ze door bepaalde ernstige ziektes zouden worden getroffen. Als ze daarover in de loop der tijd van mening veranderen, hebben ze dat vaak niet in de gaten: ze leven in de veronderstelling dat hun voorkeuren hetzelfde zijn gebleven en dat ze hun wilsverklaring dus niet hoeven herzien. En bij de mensen die ze hebben aangewezen om hun belangen te behartigen als ze dat zelf niet meer zouden kunnen, treden dezelfde geheugenproblemen op, zelfs nog iets erger, zo concluderen Amerikaanse psychologen (Health Psychology, maart).

Eén van de auteurs is geheugenpsycholoog Elizabeth Loftus, die begin jaren negentig wereldwijd bekend werd toen ze voor het eerst aantoonde hoe gemakkelijk herinneringen te manipuleren zijn. Destijds liet ze mensen zich gebeurtenissen herinneren die ze nooit hadden meegemaakt – en betoogde dat dit precies is wat sommige psychotherapeuten doen die met hun cliënt naar ‘weggedrukte herinneringen’ (aan bijvoorbeeld incest) zoeken.

Dit nieuwe onderzoek toont een andere manier waarop het menselijk geheugen kan haperen: mensen conformeren soms hun herinneringen aan wat ze in hun wilsverklaring hebben opgeschreven, aan hun huidige mening. In het ergste geval kunnen daardoor situaties ontstaan waarin mensen niet meer gereanimeerd worden terwijl ze dat nog wel hadden gewild, of kunstmatig in leven worden gehouden terwijl ze daar eigenlijk tegen zijn.

De psychologen stelden een groep ouderen (tussen 67 en 96 jaar) en een groep jonge studenten (tussen 17 en 21 jaar) een hele batterij medische einde-leven-vragen. De voor het onderzoek cruciale vragen waren of ze indien nodig nog gereanimeerd en kunstmatig gevoed zouden willen worden als ze verlamd waren geraakt na een beroerte met een zeer kleine kans op herstel, of als ze naar de lever uitgezaaide darmkanker hadden met niet al te veel pijn. Een jaar later bleken de ouderen in bijna een kwart van de gevallen van mening te zijn veranderd (meestal wilden ze eerst wel behandeld worden maar een jaar later niet meer), terwijl driekwart van hen (vooral mannen) ten onrechte dacht dat ze dezelfde voorkeur hadden als een jaar geleden. Nog eens 20 procent wist het niet meer zeker. De jongeren werden al na vier maanden opnieuw ondervraagd en waren toen eveneens in bijna een kwart van de gevallen van mening veranderd, terwijl van hen 69 procent dacht dat ze dat niet waren. De belangenbehartigers zaten er in 86 procent van de gevallen naast.

Volgens de Amerikaanse psychologen moeten mensen worden aangemoedigd om hun wilsverklaring regelmatig te herzien, zeker bij grote gezondheidsveranderingen zoals ziekenhuisopname.

Ellen de Bruin