Manke beer

Het Russische leger wordt groter en sterker, zo wil president Poetin de wereld doen geloven. Sommigen vrezen zelfs een nieuwe Koude Oorlog. Maar het gaat vooral om retoriek. „Het enige vliegdekschip is een klassieke puinhoop.”

een Russische T 90-tank Russian tank T-90 demonstrates its capabilities during an exhibition on July 11, 2002, in the Urals town of Nizhny Tagil, 1,300 km (800 miles) east of Moscow. Russia's weapons export agency Rosoboronexport said on Monday it would target countries like Iran as potentially lucrative customers in its bid to re-establish Russia as a top arms exporter. REUTERS/Damir Saitov AS/AH REUTERS

Op 9 mei, de dag van de overwinning op nazi-Duitsland, keren de tankcolonnes terug bij de parade op het Rode Plein, na zeventien jaar afwezigheid. Het zal Kremlin-watchers niet verbazen want de Russische beer is terug. Een half jaar geleden kondigde president Vladimir Poetin aan dat zijn lange-afstand-bommenwerpers na vijftien jaar winterslaap weer gingen patrouilleren. En inderdaad, sindsdien onderscheppen westerse luchtverdedigingsjagers bijna wekelijks Toepolevs Tu-95. De NAVO-codenaam die de westerse onderscheppers gebruiken sinds ze deze Toepolevs eind jaren vijftig voor het eerst escorteerden: Bear.

Maar de Russische beer staat vooral te grommen. President Poetin liet geen kans onbenut om in de diplomatieke arena met militaire maatregelen te schermen. De vestiging van een Europees filiaal van het Amerikaanse raketschild zal, aldus Poetin, Polen en Tsjechië op de doellijst van Russische kernraketten zetten. Datzelfde hield hij ook Oekraïne voor als dat land zich bij de NAVO aansluit.

Rusland zegde afgelopen december ook al het Convention on Forces in Europe-akkoord op over de beperking van conventionele wapens in Europa en de internationale afspraak om proeven met kernraketten vooraf aan de wereld aan te kondigen. Poetin kondigde tegelijk de intensivering van tests met nieuwe kernraketten aan, als antwoord op „een nieuwe wapenwedloop.” Rusland, onderstreepte hij, is „die niet begonnen.”

Tegelijk met de martiale retoriek maakte het Kremlin voortdurend plannen openbaar om de strijdkrachten te moderniseren. Volgens het Staatsprogram voor Wapenaankopen tot 2015 mogen de strijdkrachten voor bijna 200 miljard dollar aan nieuwe uitrusting aanschaffen. Zo krijgt de luchtmacht 250 nieuw te bouwen gevechtsvliegtuigen en worden atoombommenwerpers, zoals de Bears, gemoderniseerd.

Humpty Dumpty

De landmacht blijft niet onderbedeeld. Nieuwe T-90 tanks moeten de rangen versterken en nieuw op te richten brigades krijgen pas ontwikkelde grond-grond-raketten. De Russische marine is een wedergeboorte in het vooruitzicht gesteld, met een sterkte waarop de sovjetvloot jaloers zou zijn. Tijdens de vlootdag op 29 juli 2007 maakte vlootbevelhebber Vladimir Masorin plannen bekend voor de bouw van een half dozijn vliegdekschepen dat binnen twintig jaar de zeven zeeën moet gaan bevaren. Aan maritieme ambities geen gebrek: „We moeten de permanente aanwezigheid van de Russische marine in de Middellandse Zee herstellen”, meldde Masorin ook.

De tromroffelende retoriek vanuit het Kremlin en van de militaire top is niet onopgemerkt gebleven in de westerse media. Het wemelt van koppen waarin de Russische beer „zijn klauwen weer uitslaat”. De Economist-correspondent Edward Lucas vatte de heersende mening samen door zijn in februari uitgekomen boek over Poetins Rusland de titel De Nieuwe Koude Oorlog mee te geven.

Maar volgens veel militaire analisten kan Rusland die militaire postuur helemaal niet waarmaken. Nu niet, en ook niet over twintig jaar. Rusland kan maar in één opzicht goed bewapend worden genoemd: op economisch terrein, dankzij grote voorraden olie en gas. Maar de problemen van de krijgsmacht zijn zó groot en structureel dat de beer als militair gevaar voor het westen zo dood is als wijlen de Sovjet-Unie. Dat zegt onder anderen de Amerikaanse marineanalist Norman Friedman in de jongste Proceedings van het Amerikaanse Naval Institute: „Ondanks Poetins duidelijke terugkeer naar autoritair bestuur, lijkt het onbestaanbaar dat hij de Humpty Dumpty van de militaire productie van de Sovjet-Unie kan herstellen.” Die Humpty Dumpty was groter dan de NAVO, maar, zoals het Engelse gezegde luidt, al de mannen en paarden van de Koning kunnen de gevallen Humpty Dumpty niet weer in elkaar zetten.

Het zijn niet uitsluitend westerse experts die dit beweren. Ook in tijden van toenemende Russische mediacensuur, zijn er nog altijd veel Russische waarnemers te vinden die de krijgshaftige taal van Poetin en zijn militaire top afdoen als ketelmuziek. Allemaal propaganda, zei bijvoorbeeld de Russische militaire analist Alexander Golts tegen AFP: „[de Russische autoriteiten, MS] presenteren de meest routineuze oefeningen als een soort militaire come back.” De marine kan helemaal geen vliegdekschepen in dienst nemen, meent Andrei Kisljakov, defensiecommentator van het Russische persbureau RIA Novosti: „Zelfs als we er eentje weten te bouwen en te bemannen, dan is er geen thuisbasis met voldoende capaciteiten om af te meren.” Alleen al van de Noordelijke Vloot, de belangrijkste, zegt Kisljakov, zijn tweehonderd schepen dringend aan reparatie toe. „Zes procent daarvan is gefinancierd.”

Luchtvaartjournalist Piotr Boetovski schetste onlangs in een vakblad een even ontluisterend beeld van de luchtmacht. „Het gebrek aan training is het ernstigste probleem waarmee de Russische luchtmacht kampt.” Piloten zouden gemiddeld niet meer dan dertig vlieguren per jaar kunnen maken. Bij de NAVO is dat aantal zesmaal zo hoog. En commentator Joelia Latinina van het Moskouse radiostation Echo Moskvy noemde het een wonder dat die Toepolevs zonder ongelukken zo ver hebben kunnen vliegen.

Het opbreken van de Sovjet-Unie heeft nog altijd zijn weerslag op de militaire conditie van de Russische erven. Die gaat verder dan het simpele feit dat vroegere belangrijke bondgenoten in het opgeheven Warschau Pact, zoals Oost-Duitsland, Polen en Tsjechoslowakije, nu lid zijn van de NAVO. De verdediging van de daardoor drastisch opgeschoven grenzen is bijvoorbeeld nog altijd niet op orde. Het cordon van waarschuwingsradars die in sovjettijden in ‘onafhankelijke’ republieken stonden opgesteld om alarm te slaan bij een Amerikaanse aanval ging hiaten vertonen toen die republieken écht onafhankelijk werden. Russisch militair personeel bemant nog altijd de radars bij Balchasj in Kazachstan en Gabala in Azerbeidzjan. Maar Azerbeidzjan flirt met het NAVO-lidmaatschap en heeft zich grotendeels aan de invloed van Rusland ontworsteld, onder meer door zijn olie voor de export door een pijplijn via Georgië naar de Turkse havenstad Ceyhan te pompen. Op de radarfaciliteiten bij Sebastopol en Mukatsjevo in Oekraïne zijn Russische militairen niet eens welkom, daar zit Oekraïens burgerpersoneel aan de knoppen.

Geen enkel land wil voor zijn strategische veiligheid afhankelijk zijn van andere landen. Dit sentiment werd nog verergerd toen Oekraïne afgelopen februari officieel meldde geïnteresseerd te zijn in het NAVO-lidmaatschap. Tegelijkertijd bood het land het Atlantische bondgenootschap het gebruik van de oude sovjetradarsystemen aan. Voor dit haperende radaralarm bestaat wel een reservesysteem in de vorm van waarschuwingssatellieten van het type Oko (oog). Die ‘zien’ met een warmtegevoelige sensor opstijgende raketten. Maar die hebben geen lange levensduur. Toen tijdens de krappe jaren negentig een paar Oko’s uitvielen, werden die niet vervangen.

In 2003 en 2007 brachten de Russische ruimtetroepen twee nieuwe Oko’s in omloop. Maar Pavel Podvig, een Russische medewerker van het Center for Internationale Security and Cooperation aan de universiteit van Stanford, zegt desgevraagd dat dit niet voldoende is voor een 24-uurs dekking van het grondgebied van de Verenigde Staten. En snelle verbetering valt ook niet te verwachten. Podvig: „Rusland zou meer Proton-raketten met satellieten vanaf Baikonoer [dat in Kazachstan ligt, MS] moeten lanceren om […] dat waarschuwingssysteem te herstellen, maar misschien zien ze er ook wel helemaal van af. Er is in ieder geval een beslissing genomen om een geheel nieuw satellietsysteem te ontwikkelen.” Wanneer dit beschikbaar komt, weten alleen de Russen zelf, maar de ontwikkeling van dat soort high-tech systemen duurt al snel een decennium.

Volgens Podvig is Rusland bovendien „afhankelijk van Oekraïne voor het onderhoud van de SS-18 kernraketten. Daar bestaat een contract voor.” Deze raketten, die in het westen luisteren naar de NAVO-codenaam Satan, zijn voor de val van de Sovjet-Unie in Oekraïne gebouwd. Ze maken nu deel uit van de Russische afschrikkingsmacht. Oekraïne zag in 1992 af van de status van kernmacht en droeg kernraketten en bommenwerpers over aan de Russen, in ruil voor schuldvermindering.

Dat de desintegratie van de Sovjet-Unie nog altijd een kwalijk remspoor trekt, ondervond ook India. In januari 2004 kocht het land voor 1,5 miljard dollar het Russische vliegdekschip Admiraal Gorsjkov, dat sinds 1996 wegens geldgebrek in Nikolajev in de Oekraïne aan de kade lag. De transactie behelsde de modernisering van het 45.000 ton metende schip en de levering van een dozijn MiG-29 marinejagers en boordhelikopters.

Het moderniseren wilde vanaf dag één niet vlotten. Er was meer geld nodig, zeiden Russische functionarissen. Eind 2007 bleek waarom de opwaardering van de Gorsjkov vertraging opliep: het Oekraïense filiaal van de werf Sevmasj had de blauwdrukken van het vliegdekschip na de sovjetboedelscheiding niet aan het Russische filiaal overhandigd. En nu waren ze kwijt. De ontwerpers van de Gorsjkov, of de Vikramaditya zoals het schip in Indiase dienst moet gaan heten, moeten nu letterlijk terug naar de tekentafel. Oplevering van het schip wordt niet voor 2011 verwacht.

De Russische luchtmacht heeft het makkelijker gehad met de sovjetboedelscheiding. De luchtvloten die in de Oost-Europese satellietstaten stonden opgesteld, vonden thuisbases op Russisch grondgebied. Maar wie naar de conditie van het vliegende materieel kijkt, moet vaststellen dat de kwaliteit is afgenomen. Dit is vooral te wijten aan het lage defensiebudget gedurende de jaren negentig. Het gros van de inventaris aan Soechoi- en MiG-jachtbommenwerpers stond in die tijd geparkeerd op de vliegbases, terwijl gras tussen de wielen van de landingsgestellen groeide. De kwalitatieve hiaten die analisten tijdens de Koude Oorlog al in de Oostblokluchtmachten onderkenden, een gebrek aan tankervliegtuigen, radarvliegtuigen en vliegende commandoposten, groeiden.

Eind 2006 leverde de Soechoi-fabriek in Novosibirsk met veel fanfare twee nagelnieuwe Su-34 jachtbommenwerpers aan de Russische luchtmacht. Minder aandacht kreeg het feit dat het voor het eerst in vijftien jaar was dat de luchtstrijdkrachten een nieuw gebouwd toestel in operationele dienst kon nemen.

Psychische schade

Het enige onderdeel dat in omvang toenam was het 37ste Luchtleger dat vliegt met nucleair bewapende bommenwerpers, zoals de Bear en de nieuwere Tu-160. Rusland erfde in 1991 22 Bears, maar kreeg of kocht er meer dan veertig van voormalige sovjetrepublieken, zoals Kazachstan en Oekraïne. Van de modernere Blackjack vliegen er intussen vijftien rond. President Poetin verklaarde de eerste toestellen in 2005 operationeel inzetbaar. Voor een toestel dat in 1981 zijn luchtdoop had, mag dat rijkelijk laat heten. Dat Oekraïne lang treuzelde met de onderhandelingen over de prijs die Rusland moest betalen voor de toestellen die zich in 1991 op Oekraïens grondgebied bevonden, is daar debet aan.

Westerse jagers die Bears boven de Atlantische Oceaan onderscheppen zijn een Koude Oorlog-icoon. Dat dit soort beelden nu weer in de media komen, vertelt eerder iets over de aftakeling van de spreekwoordelijke beer. Toen de eerste Tu-95’s zich veertig jaar terug boven de Noordzee vertoonden, vloog de Britse Royal Air Force ze met Lightnings tegemoet. Later, in de jaren zeventig, verschenen foto’s van de sovjetbommenwerpers in de pers , terwijl die werden geëscorteerd door de nieuwere Phantom-jachtbommenwerpers. In de jaren tachtig waren het de nog nieuwere Tornado onderscheppingsjagers. En tegenwoordig zijn het de gloednieuwe Britse Eurofighters die met de Bears op de foto staan. In die opeenvolging zou je met enige kwade wil het lot van de Russische luchtmacht kunnen lezen: die is noodgedwongen blijven vliegen met stokoud materieel.

Het wedervaren van de Russische landmacht kan in even schelle tinten worden geschetst. De situatie van de dienstplichtigen, die een groot deel uitmaken van de strijdkrachten, verschilt nog altijd niet veel van die van horigen van de officieren. . Sinds sovjettijden is de ‘dedovsjtsjina’, de wrede ontgroeningpraktijken van dienstplichtigen, niet afgenomen. Volgens een rapport van Human Rights Watch uit 2004 komen per jaar dozijnen dienstplichtigen om en lopen „duizenden permanente psychische en lichamelijke schade op.”

Open wond

De oorlog in Tsjetsjenië is een open wond, reden waarom omkooppraktijken om soldaten niet aan dat front te laten dienen, welig tieren. Ook op materieel gebied is de landmacht een ondergeschoven kind. Modernisering van het voertuigpark is grotendeels achterwege gebleven. Er zijn wel nieuwe modellen ontwikkeld die het rollende materieel dat uit de Koude Oorlog moeten vervangen, maar die zijn hoofdzakelijk geëxporteerd naar het Midden-Oosten.

De Russische marine lijkt de meeste steun te krijgen voor een wederopstanding, gezien Masorins belofte om zes vliegdekschepen te bouwen. Maar het zijn uitgerekend deze ambitieuze plannen die op de grootste scepsis van de militaire analisten kan rekenen. In januari voer een smaldeel rondom het enige vliegdekschip in Russische dienst, de Admiraal Koeznetsov, naar de Middellandse Zee en oefende daar met eenheden van de Oostzee Vloot en de Zwarte Zee Vloot. Dat was zeker een publicitaire overwinning en zag er voor het thuisfront misschien leuk uit, schreef Andrej Kisljakov, maar dat neemt niet weg dat „,het schip een klassieke puinhoop is, waarvan ieder onderdeel verrot is.” De Koeznetsov is sinds de tewaterlating in 1989 hoofdzakelijk in reparatie geweest. Bij vaarproeven in 2003 begon het bijna zeventigduizend ton metende gevaarte water te maken en moest halsoverkop terug naar de thuishaven. Het jaar daarop en in 2005 liepen deklandingen verkeerd af waardoor het vliegdek niet kon worden gebruikt.

Dat is niet alleen pech, meende de defensieanalist Pavel Felgenhauer in de Moscow Times dat jaar. De piloten trainden gewoon nooit. Het ongeluk in 2003 was de eerste deklanding in zeven jaar op de Koeznetsov. Dat is niet alleen slecht voor het moreel van de piloten, maar laat volgens Kisljakov ook zien dat het onmogelijk is om in twintig jaar zes vliegdekschepen met honderden gevechtsvliegtuigen in de vaart te hebben. „In 2004 hadden we welgeteld twaalf piloten die in staat waren van vliegdekschepen op te stijgen en te landen.” En van de marinejagers zelf zijn er maar twee dozijn gebouwd. Bovendien, zo gaat Kisljakov verder, kan Rusland helemaal geen vliegdekschepen bouwen aangezien de enige sovjetwerf die daartoe wel in staat was, die van Nikolajev is – en dat ligt in Oekraïne. Vergelijk deze plannen nu eens, zegt hij, met de Amerikaanse praktijk. „Die bouwden van 1981 tot 2003 zes vliegdekschepen. De laatste, de Ronald Reagan, werd in hoog tempo gebouwd, maar kon pas in 2006 in dienst worden genomen.” Met andere woorden, „het Pentagon deed in 25 jaar, wat wij in twintig zeggen te zullen doen.”

Het was de Amerikaanse president Theodore Roosevelt die zei dat je bij het bedrijven van diplomatie „zachtjes moet spreken, maar een zware knuppel bij de hand moet hebben.” Poetin, die in mei zijn ambt overdraagt aan Dimitri Medvedev overdraagt en dan zelf premier wordt, lijkt de afgelopen tijd het omgekeerde te hebben uitgedragen.