Leve kameraad Stalin!

Michail Botvinnik – Grigory Levenfish, tweede matchpartij 1937

Op een videofilmpje op de website van het Grand Prix toernooi in Bakoe praat Teimoer Radjabov over rapidtoernooien en over de manier waarop ze in het ratingsysteem moeten worden verwerkt.

Hij wil graag dat er voor die snelle partijtjes ook een ratingsysteem komt, want ‘zonder rating weten we niet wat we doen’. Maar de suggestie van de interviewer dat klassieke schaakpartijen, rapidpartijen en vluggertjes allemaal in één ratingsysteem moeten worden verwerkt, wijst hij van de hand. Het zijn totaal verschillende disciplines en die moeten gescheiden blijven.

Ik was het met hem eens, ook toen Radjabov vervolgens zei dat de schaakwereld een lange geschiedenis heeft en dat je niet zomaar drastische veranderingen mocht aanbrengen. Maar toen zei hij: „We hebben dat ratingsysteem al vanaf...1948? Wanneer is de FIDE precies opgericht?”

Zijn schaakhistorische kennis was dus gering. In werkelijkheid is de FIDE opgericht in 1924 en pas vanaf 1970 heeft die een ratingsysteem. Je ziet het vaker, mensen die zich op de geschiedenis beroepen zonder er echt concrete belangstelling voor te hebben, en je zou Radjabov bijna vergelijken met onze Balkenende met zijn VOC-mentaliteit, maar dat zou wel erg onaardig zijn.

Radjabov mag dan weinig weten van de geschiedenis van de wereldschaakbond, ik besef dat er gebieden zijn, ook in het schaken, waar mijn eigen onwetendheid even afgronddiep is. Hoe dan ook, ik houd van de schaakgeschiedenis en koester de boeken daarover, zelfs als ik ze niet lezen kan.

Een tantaluskwelling is het onlangs verschenen Russische boek Sjederi i Drami tsjempionatov SSSR, 1920-1937. Meesterwerken en drama’s uit de kampioenschappen van Sovjet-Unie van 1920 tot 1937, geschreven door de schaakhistoricus Sergey Voronkov.

Het heeft 463 bladzijden, ik zie de honderden foto’s en karikaturen en de 107 uitvoerig geanalyseerde partijen – die kan ik wel min of meer begrijpen, want ik ken de Russische schaakwoorden – maar ik kan het niet lezen, al vermoed ik dat het een meesterwerk is.

Op de kaft staat een foto van een theaterpodium waarop twee mensen schaken. Boven hen hangt een banier met de tekst ‘Kameraad Stalin!’ en achter hen staat een buste van Stalin. De twee schakers zijn moeilijk te herkennen op de foto, maar op de demonstratieborden achter hen staat de stelling uit de elfde partij van de match uit 1937 tussem Grigory Levenfish en Michail Botvinnik, na de 28ste zet van zwart.

Levenfisj was dat jaar kampioen van de Sovjet-Unie geworden en daarna daagde Botvinnik hem uit voor een match. Die eindigde gelijk, waardoor Levenfisj zijn positie als kampioen bevestigde.

Toch kon Botvinnik, met zijn aureool van de jonge ster die geheel aan het communisme was toegewijd, bewerkstelligen dat hij naar het AVRO-toernooi werd afgevaardigd en niet de veel oudere Levenfisj, die een representant was van de beschaafde intellectuelen van voor de revolutie.

Michail Botvinnik – Grigory Levenfish, tweede matchpartij 1937

1. d4 d5 2. c4 c6 3. Pc3 Pf6 4. e3 g6 5. Pf3 Lg7 6. Ld3 0-0 7. 0-0 e6 8. b3 Pbd7 9. De2 Te8 10. Lb2 b6 11. Tad1 Lb7 12. Pe5 Pxe5 13. dxe5 Pd7 14. f4 De7 15. cxd5 exd5 16. e4 d4 17. Pb1 c5 18. Pd2 g5 Zwart ziet al een wit paard op d6 komen en maakt vast de g-lijn open om zijn daardoor bedreigde toren emplooi te geven. 19. g3 gxf4 20. gxf4 Kh8 21. Pc4 Tg8 22. Kh1 f6 23. Pd6 fxe5 Zwart moet materiaal geven, want na 23...Lc6 zou 24. Lc4 zeer sterk zijn. 24. Pxb7 exf4 25. e5 Wit geeft meteen iets terug om zijn stukken te activeren. Voronkov geeft aan dat ook het materialistische 25. Txf4 Pe5 26. La6 lang niet zo slecht zou zijn als Levenfisj in zijn analyses aangaf. 25...Lxe5 26. b4 Dit is tijdverlies. Beter was 26. Le4, waarna wit misschien nog steeds beter zou staan. 26...Pf6 27. Df3 Pg4 28. Td2 Tab8 29. Le4 d3

Zo wordt de wilde stelling nog meer verscherpt. 30. Dxd3 De enige zet, volgens Levenfisj, maar Voronkov laat zien dat wit na 30. h3 Lxb2 31. hxg4 Ld4 32. Th2 minstens remise zou hebben. 30...Txb7 31. Lxb7 Dxb7+ 32. Df3 Dxf3+ 33. Txf3 Lxb2 34. Txb2 Pe5 Misschien heeft zwart nu de beste kansen in dit eindspel, maar zeker is het niet. 35. Tf1 Pd3 36. Tg2 Wit was in tijdnood. De beste verdediging was het subtiele 36. Tc2 Pxb4 (waarschijnlijk is 36...Te8 beter) 37. Td2 en wit loopt zeker geen verliesgevaar. 36...c4 37. Tc2 b5 38. a3 f3 39. Td2 Tg2 40. Txg2 fxg2+ 41. Kxg2 c3 42. Kf3 Hier werd de partij afgebroken en Botvinnik gaf later op. Zwart wint met zijn c-pion de witte toren, daarna kan wit het zwarte paard winnen, maar dan verliest hij het pionneneindspel.