Lastige uitsteeksels

Bewoners houden van balkons. Maar die krijgen ze vaak niet. „Architecten houden niet van aanhangsels aan hun sculpturen.”

Het lot van het Nederlandse balkon is voer voor anti-markt-ideologen. Sinds 2003 is de bepaling dat elk nieuwbouwappartement een buitenruimte moet hebben verdwenen uit het Bouwbesluit. Ongetwijfeld gebeurde dit op basis van de gedachte dat een balkon niet iets is dat de overheid moet regelen omdat de markt hier wel voor kon zorgen. Bewoners stellen buitenruimtes tenslotte op prijs, dus brengen appartementen met een balkon meer op dan zonder. Maar er was niet gerekend op een overspannen huizenmarkt, waarin alles wat wordt gebouwd toch wel wordt verkocht. En dus heeft zestig procent van de appartementen die de laatste jaren zijn opgeleverd, nu geen buitenruimte.

Voor het ontbreken van een balkon bestaat een goede en goedkope oplossing, zo is te zien op de tentoonstelling Het Balkon, op zoek naar licht en ruimte in de Zuiderkerk in Amsterdam. Hier is onder heel veel balkons in alle soorten en maten het Tea for Two-balkon te zien. Dit is een zelfdragende ijzeren bak die gemakkelijk met zes ankers aan de gevel kan worden bevestigd. Het buitengewoon handige ontwerp, dat kan worden gereduceerd tot een Frans balkon en uitgebreid tot een serre, is al in 1992 ontworpen door Pieter van Gendt. Het siert inmiddels tal van Amsterdamse huizen en wordt door bijvoorbeeld mijn overburen intensief gebruikt. Met mooi weer zitten die op hun uitneembare zittingen in de avondzon te dineren aan hun uitneembare tafelblad.

Maar de Tea for Two-balkons zijn een doorn in het oog van de Amsterdamse welstand en de gemeente. Die hebben de wijde verbreiding van de handige balkons weten te verhinderen door er op beperkte schaal vergunningen voor te geven. Misschien vindt het winnende ontwerp van de prijsvraag voor een nieuw provisorisch balkon, het Bloomframe uit 2007, wel genade in de ogen van de Amsterdamse welstandcommissie. Dit balkon, ontworpen door Hofman Dujardin architecten in samenwerking met Hurks geveltechniek, is in ingeklapte vorm een raam. De ontwerpers kwamen volgens eigen zeggen op het idee van het raam dat met een druk op de knop balkon wordt, toen ze zagen hoe een laadklep van een vrachtauto veranderde in een soort balkon. Nadeel van de Bloomframe ten opzichte van het Tea for Two is dat je een heel raam moet vervangen. Voordeel is natuurlijk dat het in ingeklapte vorm niet uitsteekt (zie inzet).

Dit laatste zal vooral architecten bevallen. Die hebben vaak een hekel aan uitstekende balkons. Zeker nu ‘sculpturale’ gebouwen in de mode zijn, zien ze liever niets uit hun gebouwen steken. En als ze dan toch balkons moeten ontwerpen, dan maken ze zich er steevast gemakkelijk van af. Meer dan een eenvoudige, rechthoekige bak met balustrades van glas, ijzeren spijlen of baksteen is het balkon aan het begin van de 21ste eeuw niet.

De weerzin van de huidige architecten tegen balkons is gevoed door de armzalige stadsvernieuwingsarchitectuur uit de jaren tachtig, toen een buitenruimte bij nieuwbouw nog verplicht was. De trespaplatenwoningen uit die tijd worden nog armoediger dan ze al zijn door de friemelbalkons die overal opduiken. Maar hoe armzalig ook, de balkons worden wel altijd gebruikt, al is het soms alleen voor de opslag van bierkratten of het roken van een sigaret. Overigens is een balkon nog de minst zielige plek om een sigaret te roken. Anders dan naar buiten verbannen rokers die bij de ingang van kantoorgebouwen kleumend staan te roken, heeft de balkonroker nog altijd iets soevereins. Al moet hij dan buiten staan, hij bevindt zich nog altijd op een plek die bij het huis hoort en heeft vaak nog de stad aan zijn voeten ook.

De tijd dat elk Nederlands appartement op een of andere manier een buitenruimte kreeg, heeft slechts kort geduurd, niet meer dan zo’n halve eeuw. Van oudsher hebben Nederlandse huizen geen balkon. Zeventiende-eeuwse grachtenhuizen hadden er bijvoorbeeld nooit een – de typisch Nederlandse trap met mini-bordes naar de bel etage bood blijkbaar genoeg buitenruimte. Zelfs het zeventiende-eeuwse Amsterdamse wereldwonder van Jacob van Campen, het stadhuis op de Dam, had oorspronkelijk geen balkon. Blijkbaar had de Amsterdamse burgemeester geen plek nodig om het volk toe te spreken. Een balkon kreeg het stadhuis pas toen het in 1808 door koning Lodewijk Napoleon werd omgedoopt tot Koninklijk Paleis.

In de loop van de negentiende eeuw werd Lodewijk Napoleons voorbeeld veelvuldig nagevolgd. Loop door een 19de-eeuws straat van het chiquere soort, zoals de Plantage Kerklaan in Amsterdam, en je ziet een ongelooflijke rijkdom aan balkons die doet terugverlangen naar de tijd dat architecten buitenruimtes serieus namen. De een heeft een balustrade van gedrongen witte zuiltjes en een stevige architraaf, de ander krullerige, siersmeedijzeren hekken, en allemaal worden ze ondersteund door rijk versierde consoles.

Maar niet alleen de dure huizen kregen in de 19de eeuw balkons, ook de arbeiderswoningen. Alleen zaten die bijna nooit aan de voorkant van het huizenblok, maar aan de achterzijde. Daar kwam de keuken uit op een smal eenvoudig balkon, bijna altijd van hout. Dit was de plek waar de arbeider na gedane arbeid kon uitrusten en de was kon worden opgehangen. Deze achterzijdes werden een probleem toen het traditionele gesloten bouwblok na de Tweede Wereldoorlog plaats maakte voor de open strokenbouw. Tot schrik van veel nette mensen toonden de huizen nu ongegeneerd hun minder appetijtelijke achterzijdes en had iedereen vanaf de straat nu bijvoorbeeld vrij zicht op de buitengehangen arbeiderswas. Veel woningbouwverenigingen verboden dit laatste dan ook. Voordeel van de strokenbouw was natuurlijk wel dat balkons konden komen op de plekken waar de meeste zon kwam. Balkons op het noorden, zoals die voorkwamen in de gesloten bouwblokken, hoefden niet meer.

Tentoonstelling: Het Balkon. Op zoek naar lucht en licht. T/m 21 juni in Informatiecentrum De Zuiderker, Zuiderkerkhof 72 Amsterdam. Boek: Het balkon op zoek naar lucht en licht. Uitg. Valiz.