Kloosters en koningen

In de praktijk is het boeddhisme een gewone godsdienst, met macht en rijkdom. Het Westerse beeld is te soft, zegt hoogleraar boeddhologie Silk. Dirk Vlasblom

Monniken uit het gevolg van de Dalai Lama bidden tijdens diens bezoek aan Washington. foto Reuters Tibetan Buddhist monks pray during the opening ceremony for "The Compassionate Sand Mandala for World Peace" at the National Cathedral in Washington, October 16, 2007. The monks are from the Dalai Lama's personal Namgyal Monastery, and created the sacred mandala over three days to coincide with the Dalai Lama's visit to Washington. The mandala represents a Buddha's divine place of residence and its creation and destruction is to symbolize the Buddhist concept of the impermanence of things and the importance of non-attachment. REUTERS/Jim Young (UNITED STATES) REUTERS

Het Westen heeft een nogal zachtgekookt beeld van het boeddhisme. Dat is mede gevormd door films als Seven Years in Tibet (Jean-Jacques Annaud), Little Buddha (Bernardo Bertolucci) en Kundun (Martin Scorsese). Daarin leiden monniken een armoedig, teruggetrokken bestaan van gebed en meditatie en trekken ze af en toe de wereld in om de jongste incarnatie van een grote meester op te sporen.

De Amerikaan Jonathan A. Silk is hoogleraar boeddhologie in Leiden. Hij beheerst vijf Aziatische talen en bestudeert vooral de vroegste, Indiase teksten van het boeddhisme. Zijn werkkamer bevindt zich in het historische pand Nonnensteeg 1-3. Silk vindt dat de westerse stereotypen ver af staan van de werkelijkheid. “Boeddhistische tempels in Japan,” vertelt hij, “zijn puissant rijk. Zenkoji, een grote tempel in Nagano, zou als startplaats dienen voor de Japanse etappe van de Olympische fakkelestafette op 26 april. Op 18 april trok het tempelbestuur zich terug, om twee redenen. De tweede was dat Japanse boeddhisten bezwaren hadden tegen het Chinese optreden in Tibet. Maar de eerste reden was bezorgdheid over eventuele ‘schade aan de tempel en zijn schatten’. Mijn god, dacht ik, hebben jullie geen PR-afdeling?”

Rijkdom en macht, in het stereotype beeld van het boeddhisme ziet de monnik daarvan af door zich terug te trekken in een klooster. Maar dat verzaken van de wereld levert het klooster in werkelijkheid juist macht en rijkdom op. En die macht gebruikt het ook, net zoals dat in andere religies gebeurt.

Silk: “Vaak hoor ik dat boeddhisme geen religie is, maar een levenswijze. Dat heeft twee redenen. Veel westerlingen die zich voelen aangetrokken door het boeddhisme zijn bang hun eigen achtergrond te verzaken als ze het aanvaarden als een religie. Volgens het jodendom, het christendom en de islam kun je niet meer dan één religie aanhangen. In de rest van de religieuze wereld is dit heel gewoon. Bij Japanse volkstellingen wordt gevraagd naar religieuze identiteiten en als je die optelt, zijn dat er veel meer dan er Japanners zijn.”

Daar komt nog bij, zegt Silk, dat het boeddhisme geen godheid kent. “Maar in de rituele praktijk krijgt de Boeddha of zijn beeltenis dezelfde behandeling als een god. Het boeddhisme heeft verder alle kenmerken gemeen met religies die wél een godheid kennen: theologie, een morele gedragscode, rituelen, een gemeenschap en instituties. Voor boeddhisten zijn er drie ‘juwelen’: de Boeddha, diens leer (Dharma) en de geloofsgemeenschap (Sangha),”

“Zonder boeddhisme”, zegt Silk, “heeft het begrip ‘Azië’ geen betekenis. Het is de enige culturele band tussen landen als Sri Lanka en Korea.” Het boeddhisme ontstond in de zesde of vijfde eeuw voor Christus in het noorden van India, waar prins Siddharta volgens de overlevering de wereld verzaakte, de staat van verlichting bereikte, zijn leer van het Drievoudige Pad (meditatie, ethiek en wijsheid) predikte en een kloosterorde stichtte. Aan het begin van de huidige jaartelling trokken boeddhistische predikers naar Ceylon, China, Japan, Korea en Zuid-Oost Azië en in de zevende eeuw, vrij laat, naar Tibet.

karma

“Het boeddhisme,” vertelt Silk, “gaf Azië een kosmologie en een uitwerking daarvan in termen van karma (een al of niet verdienstelijke daad) en wedergeboorte. Het boeddhisme bleef tot 1949 een levenskrachtig element van het Chinese leven op het vasteland. Dat is het nóg voor Chinezen buiten China. In Taiwan en in de Chinese gemeenschappen van Zuid-Oost Azië is het springlevend. Indochina is door en door boeddhistisch. Net als Tibet, Sri Lanka, Thailand en Birma.”

In India stierf het boeddhisme in de 13de eeuw uit. Silk: “Niemand weet precies waarom. Invallen van moslims speelden zeker een grote rol. De kloosters, de spil van de boeddhistische identiteit, werden door de veroveraars verwoest. In sommige kronieken staat dat moslimgeneraals de kloosters voor forten hielden. Voor de eerste golf is dat plausibel, daarna niet meer. Ik denk eerder aan iets anders: goud. Er zijn aanwijzingen dat dit in kloosters ruim voorhanden was. Als je eenmaal hebt ontdekt dat monniken geen wapens dragen en dat er in die kloosters grote rijkdommen liggen, well, go and get it!”

De oorsprong van de kloosters is duister. Silk: “Indiase teksten over ‘leven in het bos’ moeten we niet te letterlijk nemen. Monniken moesten er immers ’s morgens op uit om te gaan bedelen. Als je ver van de bewoonde wereld woont, kan dat niet. Waarschijnlijk sloeg dit op leven buiten de muren, op loopafstand van de stad. In Thailand zijn er wél asceten die zich terugtrekken in het bos. Zij leven van voedsel dat mensen komen brengen. Het is een fascinerend mechanisme: hoe meer je je afzondert, hoe meer macht anderen je toekennen en hoe meer mensen in jouw buurt willen zijn om te delen in die macht.”

Tussen klooster en samenleving bestaat een al even paradoxale relatie: afstand en invloed. Silk: “Veel boeddhistische kloosters hebben beschilderde muren. Aan de buitenkant wordt het Wiel der Wedergeboorte (Sanskriet: bhava-cakra) afgebeeld, de boeddhistische voorstelling van reïncarnatie. Leken komen erop af en monniken leggen de betekenis uit buiten de kloostermuren. Men verwacht dus dat mensen naar het klooster komen en dat monniken voor hen preken. Monniken worden ook geacht de wereld in te gaan om te bedelen. Als ze voor het eten worden uitgenodigd, wordt van hen verwacht dat ze na de maaltijd een preek houden. Monniken verbreiden de boeddhistische visie dus buiten het klooster. In boeddhistische samenlevingen geven kloosters en monniken ook onderwijs. In het Middeleeuwse Japan waren tempelscholen de enige plaatsen waar niet-aristocraten konden leren lezen schrijven.”

De monnik geldt als modelboeddhist. Silk: “Het allerhoogste wat een boeddhist kan bereiken, is verlichting, een boeddha worden, maar dat is theorie. Het op één na hoogste ideaal is de positie van monnik. Het huidige Thailand kent de tijdelijke wijding. Dat is in wezen een rite de passage voor ongetrouwde jongemannen. Een enkeling ontdekt dat dit iets voor hem is, maar dat gebeurt niet vaak. Tijdens het wijdingsritueel wordt op een symbolische manier de terugtrekking van de Boeddha uit de wereld uitgebeeld. De jongen wordt uitgedost als een prins, op een olifant gezet en rondgereden. Daarna worden zijn hoofd geschoren. De tijdelijke wijding levert hem en zijn naaste familieleden goed karma (verdienste) op.”

De boeddhistische moraalleer in zijn bondigste vorm zijn de Vijf Voorschriften, de minimale verplichtingen waaraan leken en monniken zich te houden hebben. Silk: “Een boeddhist mag geen mensen of dieren doden, niet stelen, geen overspel plegen, onwaarheid spreken of bedwelmende middelen gebruiken. Voor kloosterlingen zijn er meer dan 200 gedragsregels, waaronder seksuele onthouding. Het is een monnik niet alleen verboden vrouwen aan te raken, hij mag ook niet de verdenking wekken dat hij daar op uit is. Daarom mag hij zich niet ophouden in een afgesloten ruimte met een vrouw. Monniken mogen ook de grond niet bewerken, dit ter voorkoming van het onopzettelijk doden van wormen.”

Door hun veronderstelde voorbeeldige levenswandel staan monniken in boeddhistische samenlevingen in hoog aanzien en dat respect is de basis van de kloostereconomie. Silk: “Het is een interessante kwestie of de Boeddha een monnik is. Is hij een monnik en daarmee lid van de kloostergemeenschap, dan is een schenking aan hem een schenking aan alle monniken en kunnen allen erin delen. Als de Boeddha geen monnik is, dan is nemen wat aan hem geschonken is stelen van de Boeddha. Dit is eigenlijk geen theologische, maar een economische kwestie. Er bestaat hierover geen overeenstemming.”

In de loop van de geschiedenis verzamelden boeddhistische kloosters fabelachtige rijkdommen. Silk: “In de vroege Middeleeuwen controleerden kloosters het leeuwendeel van de Chinese economie. Ze dreven handel en kregen belastingvrijdom van de keizer. Mensen schonken om die reden land aan kloosters en velen veranderden hun bezittingen in tempels. Als je dit de vrije hand laat, bestaat binnen de kortste keren het hele land uit kloosters, puur om fiscale redenen. Wu-Tsung, een Chinese keizer van de T’ang-dynastie (841-847), liet om die reden alle boeddhistische kloosters vernietigen. Dat was de zwaarste aanval op het kloosterleven in de Chinese geschiedenis vóór de twintigste eeuw.’’

Tibet was vanaf de zeventiende eeuw, toen de boeddhistische Gelukpa-school in een gewelddadige burgeroorlog een religieus monopolie vestigde en de Dalai Lama tegelijk geestelijk en wereldlijk leider werd, een speciaal geval. Dat kwam onder meer door het hoge percentage van de mannelijke bevolking dat was gewijd tot monnik: tussen 8 en 10 procent. Silk: “Tibet kende een ‘monnikenbelasting’: elke familie werd geacht één kind naar een klooster te sturen. Dat had enorme consequenties voor de economie, want deze mensen werden onttrokken aan productieve arbeid. Onderdeel van de kloostertraditie zijn lampen waarin boter wordt verbrand. In een arme omgeving is dat een zwaar offer. In Tibet bezaten de kloosters enorme oppervlakten land. Chinezen maken ten onrechte aanspraak op Tibet, maar niet alles wat zij beweren over Tibet is onwaar. Zo hebben ze gelijk als ze zeggen dat boeren in een horige verhouding stonden tot de kloosters. Die dwongen boeren die op hun landerijen leefden voedsel te verbouwen. Ook gewone monniken in Tibet leidden een zwaar leven. Zij waren aangewezen op familieleden en aalmoezen. Als je werd erkend als iemands incarnatie, dan erfde je diens rijkdom. Kwam je uit een goede familie, dan kon je worden onderhouden. Maar voor gewone mensen was het heel moeilijk.”

ultieme sanctie

Veel Aziatische heersers hebben in de loop van de geschiedenis het boeddhisme omhelsd, maar waren niet van plan afstand te doen van hun rijkdom, hun macht en de ultieme sanctie voor wie de bestaande verhoudingen aanvocht: geweld. Silk: “Het boeddhisme vroeg dat ook niet van hen, want dat zou geen zin hebben gehad. Een appèl om zich te onthouden van geweld zou van vorsten vragen hun machtsmiddelen op te geven en af te zien van militaire verdediging van hun koninkrijk. Het boeddhisme hield voor hen juist beloften in. Een tekst die heel populair was in Centraal- en Oost-Azië is de Sutra van het Gouden Licht. Daarin staat dat de Vier Wachter-Goden de vorst die deze tekst, die is gepredikt door de Boeddha zelf en dus waar is, eert en die de monniken die deze tekst reciteren eert, zullen helpen zijn rijk te verdedigen. In wezen is de relatie tussen vorst en klooster een voortzetting van die tussen de leek en de monnik aan wie hij geld of voedsel schenkt. Wie schenkt aan een monnik, krijgt in ruil goed karma. De koning protegeert een klooster en krijgt in ruil goddelijke bescherming.”

In Birma werden koningen in de loop der eeuwen de beschermers van kloosters. Er bestaat in dat land nog steeds een speciale relatie tussen het boeddhisme en de macht. Het is ondenkbaar dat iemand lid wordt van de regerende (militaire) elite als hij geen boeddhist is. Silk: “De leiders van dit extreem autoritaire bewind beschouwen zichzelf als boeddhisten. Voor hen is Birmees zijn hetzelfde als boeddhist zijn.”

Tijdens de onlusten van afgelopen najaar noemde de Associatie van Birmese Monniken het militaire bewind ‘de vijand van het volk’. Silk: “Dit is moderne retoriek. Honderd jaar geleden bestond het concept van ‘het volk’ nog niet. Het sterkste sentiment achter het recente boeddhistische activisme is ‘geef ons ons land terug’. Het is volksverzet tegen autocratisch bestuur en dat is niet begonnen in de kloosters, maar door Aung San Suy Kyi en haar partij. Zij is een nationale, geen boeddhistische heldin. Ze is boeddhist omdat ze Birmese is.”