Kiezen voor niks

De afgelopen jaren heeft de overheid op allerlei terreinen constructies bedacht om de consument tot kiezen te bewegen. Het uitgangspunt hierbij is dat de kritisch kiezende consument de beste garantie vormt voor een klantvriendelijke en kwalitatief goede dienstverlening. Vanuit dit gezichtspunt bezien is het wonderlijk dat in deze tijd van rotsvast geloof in marktwerking politici maatregelen nemen om de vrije schoolkeuze in te dammen. U en ik worden blijkbaar geacht meer verstand te hebben van producten als gas of elektriciteit dan van een school voor onze kinderen.

Zo blijkt de onderwijswethouder van de gemeente Utrecht, Rinda den Besten, bepaald ongelukkig met het feit dat de ouders in haar gemeente volop gebruik maken van hun keuzevrijheid. In een interview met deze krant klaagde ze dat pogingen om die vrijheid aan banden te leggen niet zijn geslaagd: “Ondanks voorlichting en afspraken met de regio om niet in Utrecht te werven, hebben te veel ouders geen vertrouwen in de Utrechtse vmbo’s.” Over de kwaliteit van die scholen meldt ze: “In 2006 presteerden vier van de zes Utrechtse vmbo’s zwak. Ik verwacht dat het in 2007 vijf van de zeven is, waarvan een zelfs zeer zwak. Als scholen slecht presteren, blijven leerlingen weg, dus krijgen ze minder geld. […] Het toezicht en de hulp van de inspectie is ook niet toereikend. Dat hele systeem klopt niet. Ik ben bang dat er straks geen vmbo meer over is in Utrecht.”

Als de markt, die in dit geval onmiskenbaar zegenrijk werk verricht, niet doet wat politicus Den Besten wenselijk vindt, klopt ineens het hele systeem niet. Terwijl de wethouder juist alle reden heeft om zielsgelukkig te zijn dat er in de nabije omgeving van Utrecht talrijke scholen te vinden zijn die wel goed functioneren, zodat de bewoners van haar stad een alternatief hebben voor het beroerde onderwijs dat hun eigen gemeente in de aanbieding heeft. Zij zou zich tevreden moeten tonen dat de ouders verder kijken dan de stad lang is.

De wethouder is teleurgesteld niet alleen in de inspectie, maar ook in minister Plasterk en staatssecretaris Van Bijsterveldt: “Zij zouden hier met bloedspoed mee aan de gang moeten gaan.” Waarmee is niet duidelijk. Iedereen krijgt de schuld behalve het bestuur van de gemeente Utrecht waar het in het voortgezet onderwijs al jaar en dag een janboel is.

De wethouder zegt verder het onbegrijpelijk te vinden dat er niet een lerarenopleiding is speciaal voor vmbo. Daarmee illustreert zij de denkfout die een verklaring vormt voor haar wonderlijke klaagzang. Met de wens van een specifiek op deze doelgroep toegesneden lerarenopleiding geeft zij aan te menen dat het hierbij zou gaan om een bepaald soort leerlingen, en dat is onzin. Vmbo is een verzamelnaam voor liefst zestig procent van alle leerlingen, qua aanleg en interesse variërend van in potentie vwo (maar als gevolg van de vroege selectie lukt dat vooralsnog niet), tot praktijkonderwijs, en verder omvat het leerlingen met leer- en/of gedragsproblemen en vaak ook nog met forse taalachterstanden. Met haar pleidooi gooit de wethouder al die leerlingen op één grote vmbo-hoop. Ouders doen dat uiteraard niet. Die gaan op zoek naar een school die aansluit bij de behoeften van hun zoon of dochter. Als de wethouder eraan hecht dat ouders voor een school in Utrecht kiezen, moet ze ervoor zorgen dat die ouders ook wat te kiezen hebben. Dat betekent dat de vmbo-conglomeraten worden opgesplitst in niet te omvangrijke scholen met een duidelijk op een bepaalde categorie toegesneden onderwijsaanbod. En noem die scholen vooral geen vmbo want dat etiket staat voor van alles en nog wat. Voor niks dus. En wie kiest er nou voor niks?

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl