Jaloersheid leidt tot lager cijfer

Marlies Hagers

‘Ik had een 4, maar de halve klas had een onvoldoende.” Ouders kunnen zich flink ergeren aan zo’n opmerking als hun kind een proefwerk slecht heeft gemaakt. Alsof het cijfer van de anderen er meer toe doet dan hun eigen slechte prestatie. Maar het vergelijken van cijfers is zo slecht nog niet, blijkt uit het onderzoek waarop sociaal psycholoog Maike Wehrens deze week in Groningen promoveerde.

Wehrens liet ruim 19.000 scholieren, als onderdeel van een groot landelijk scholierenonderzoek, in de brugklas een toets wiskunde en Nederlands maken. Ze vroeg hun ook met welke klasgenoot zij zich het liefst vergeleken. Na twee jaar werden de leerlingen opnieuw getest. “Bij leerlingen die zichzelf met een betere klasgenoot vergeleken, werkte het positief op hun eigen prestaties”, zegt Wehrens. Ze benadrukt dat het effect niet zo groot is dat we er wonderen van moeten verwachten. “Maar ik geef wel een antwoord op de kritiek dat vergelijken ongunstig zou zijn voor de prestaties, omdat leerlingen dan met andere dingen bezig zijn dan met de stof.”

Werkt het altijd om jezelf te vergelijken met iemand die beter is?

“Voorwaarde is dat een leerling zich goed voelt over zijn prestaties in vergelijking met klasgenoten. Zelfs als dat een overschatting is, helpt het. Het betere cijfer van die ander is een stimulans om zelf ook beter te willen presteren.”

Voelen leerlingen zich niet juist beter als ze zich vergelijken met iemand die minder goed is?

“Nee dat is niet zo. Leerlingen weten heus wel waarom ze op school zitten. Ze willen allemaal betere cijfers halen.”

U heeft ook de reacties van leerlingen op de vergelijkingen onderzocht. Wat bleek daaruit?

“Ik zag drie soorten reacties. Empathisch: leerlingen die tegen een klasgenoot zeggen ‘wat fijn, of naar, dat je een goed, of slecht, cijfer hebt’. Destructief: jaloerse reacties of, als die ander een slecht cijfer haalde, opmerkingen als ‘net goed’. En constructief: leerlingen die in de vergelijking juist naar zichzelf kijken, die zeggen ‘ik baal van mezelf, volgende keer wil ik ook een voldoende’. Opvallend was, dat juist die constructieve reactie geen effect bleek te hebben.”

Verwarrend om dat dan constructief te noemen.

“Ja, klopt. Misschien had ik het achteraf beter anders kunnen noemen. Maar indertijd leek zo’n reactie, waarbij een leerling vooral naar zichzelf kijkt en naar de stof, mij constructief. En dat juist dát geen effect blijkt te hebben, weerlegt die kritiek dat het slecht zou zijn om te kijken naar hoe anderen het doen.”

Welke reactie hing het meest samen met prestaties?

“De destructieve reactie. Maar dan wel negatief. Deze leerlingen scoorden minder goed op beide toetsen. Bij leerlingen die empathisch reageerden was een positief effect te zien, maar dat was minder sterk en alleen bij Nederlands, niet bij wiskunde.”

Hoe verklaart u dat?

“Lastig te zeggen. Meisjes vertonen vaker empathische reacties, jongens vaker destructieve. En meisjes zijn vaker beter in Nederlands dan jongens, terwijl jongens juist vaker beter zijn in wiskunde. In de onderzoeksgroep zaten meer meisjes dan jongens. Ik heb wel die invloed van geslacht eruit gefilterd, maar misschien dat het er toch iets mee te maken heeft.”

Of meisjes dénken dat ze niet goed zijn in wiskunde.

“Het klopt dat het effect van empathisch reageren teniet gedaan kan worden door andere factoren. Door faalangst bijvoorbeeld. Om beter te presteren is meer nodig dan empathisch reageren op de prestaties van anderen. Maar blijkbaar is het een gunstige voorwaarde.”

U heeft ook ontdekt dat jezelf overschatten goed is voor de prestaties.

“Ja, en dat doen jongens weer vaker. Ook geldt: hoe lager het niveau van onderwijs, hoe meer overschatting. Dat zelfvertrouwen werkt. Zo’n leerling stelt zichzelf een hoger doel en gaat ervoor. Deze leerlingen bleven minder vaak zitten. Het blijkt ook een gunstig ‘wapen’ tegen schooluitval.”

Ook allochtone leerlingen hebben de neiging zichzelf te overschatten, blijkt uit uw onderzoek. Toch is de schooluitval onder die groep het hoogst.

“Ook hier is het effect van andere factoren, de thuissituatie bijvoorbeeld, dan blijkbaar sterker.”