Irritatie over grotere rol werkgevers en werknemers

De SER adviseert de regering over sociaal-economische zaken. Maar ook over ziektekosten en kernenergie. Belangenorganisaties hebben daar moeite mee.

Hij wordt wel als kroonjuweel van het poldermodel gezien: de Sociaal-Economische Raad (SER), waar onafhankelijke kroonleden, werkgevers en werknemers samen de regering adviseren over het sociaal-economische beleid. Maar de laatste tijd klinkt er ook kritiek.

De SER heeft zijn blik in de loop der jaren flink verbreed. De adviezen beslaan nu ook thema’s als gezondheidszorg en duurzaamheid, waarvan men zich kan afvragen of werkgevers en werknemers er over horen te adviseren. Bovendien zou de SER een verouderd instituut zijn waarin te weinig de stem van de samenleving klinkt. Consumenten, patiënten, aandeelhouders, jongeren en milieuactivisten vinden het niet van deze tijd dat werkgevers en werknemers invloedrijke adviezen schrijven over thema’s waarin anderen centraal staan. Zou de SER anders moeten werken en naar een nog breder draagvlak moeten streven?

In het regeerakkoord staat dat het adviesstelsel slanker moet en dat de overheid minder geld gaat uitgeven aan allerlei raadgevers (deze regeerperiode 15 miljoen euro). En de adviezen die nog wel gevraagd worden, moeten meer op de politieke hoofdzaken zijn toegesneden. Veel adviesorganen vrezen dus voor hun voortbestaan. Maar niet de SER. Die blijft buiten schot omdat hij door het bedrijfsleven wordt betaald. De raad krijgt zelfs een spilfunctie.

Toch vindt de Twentse hoogleraar bestuurskunde Rob Hoppe, die veel over adviesorganen heeft gepubliceerd, dat dit het moment is om de SER te vernieuwen. Om gezag te behouden zou de raad bijvoorbeeld verschillende kroonleden moeten aanzoeken vanwege hun ecologische expertise. Bij economische vraagstukken moet volgens hem een betere afweging komen van de gevolgen voor het milieu. Dat zou de „creativiteit en visie kunnen opleveren” waardoor de SER een waardevol adviesorgaan blijft. „Als dat niet lukt, heeft de SER niet alleen zijn beste, maar ook zijn langste tijd gehad”.

De Stichting Natuur en Milieu, die wel betrokken was bij de voorbereiding van een advies over kernenergie maar zelf niet in de raad zit, is het daar hartgrondig mee eens. Directeur Mirjam de Rijk noemt het kernenergieadvies een frustrerend voorbeeld. „Wij mochten eraan meedoen. Maar toen het er op aan kwam, luisterde men niet naar ons omdat wij niet in de SER zitten. We hebben geen enkel machtsmiddel”.

Ook de Consumentenbond, die nu via twee commissies mag meepraten, wil een grotere stem. „Dat past bij een adviesorgaan dat een afspiegeling wil zijn van wat er in de samenleving leeft”, zegt een woordvoerder. De recentste SER-adviezen over kernenergie en de AWBZ-verzekering vindt de bond eigenlijk geen zaken voor werkgevers en werknemers. „Dat zijn onderwerpen waarin consumenten centraal staan, onderwerpen die grote gevolgen voor hen hebben”. Ook de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) vindt „dat het patiëntenperspectief op een formele manier in SER-adviezen over de zorg vertegenwoordigd moet zijn”.

De SER probeert problemen wel vanuit een ander perspectief te benaderen. Bij het recente advies over discriminatie van allochtone jongeren op de arbeidsmarkt werden bijvoorbeeld alle jongerenorganisaties van werkgevers en werknemers betrokken, vertelt de net vertrokken voorzitter Judith Ploegman van FNV Jong. Minder tevreden is ze over het experiment om een jongerenpanel, buiten de SER om, advies te laten uitbrengen over het kabinetsplan om scholieren een maatschappelijke stage te laten lopen. De raad bekrachtigde het advies niet, maar stuurde de aanbevelingen wel in een brief naar het kabinet.

Ook het recente advies over evenwichtig ondernemingsbestuur kan als minder geslaagd worden gezien. Op verzoek van het kabinet kregen vertegenwoordigers van aandeelhouders een zetel in de voorbereidende commissie. Zij bleken het niet eens te kunnen worden met werkgevers en werknemers, die ook met elkaar in de clinch lagen. Het leidde tot een verdeeld advies waarvan de aandeelhouders expliciet afstand namen. Riens Abma, die de aandeelhouders vertegenwoordigde, zei bij de vaststelling van het advies: „Op beslissende momenten werden de aandeelhoudersorganisaties niet uitgenodigd om aan beraad in kleine kring deel te nemen, zelfs niet toen het ging over zaken die vooral aandeelhouders raken.”

SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan zegt dat hij de kritiek op zijn raad serieus neemt. Maar de unieke positie van de SER moet niet uit het oog worden verloren, vindt hij. „Het is het enige adviesorgaan van het kabinet dat adviseert namens een eigen, brede achterban, de sociale partners. De kracht ligt in hun bereidheid om telkens te zoeken naar compromissen.” Bij zijn aantreden in 2006 zei Rinnooy Kan dat hij hoopte op een „intensieve wisselwerking met de buitenwereld”.

Dat betekent volgens hem niet dat de SER moet worden uitgebreid. Dan zou er rolverwarring ontstaan – de SER is immers „de stem van het georganiseerde bedrijfsleven”. Daarom organiseert Rinnooy Kan de inspraak anders: rondetafel- of lunchgesprekken, workshops en conferenties waar sprekers van buiten de SER hun visie geven. Of hij stuurt mensen op pad om een kijkje in het veld te nemen. „Ik wil de kwaliteit van de adviezen verdiepen en de effectiviteit vergroten. Maar de ambitie van de SER is niet om heel Nederland te vertegenwoordigen.”

Rinnooy Kan erkent dat het experimenteren met nieuwe vormen soms een harde leerschool is. Zo vindt hij het spijtig dat de commissie die het advies over evenwichtig ondernemingsbestuur voorbereidde, verdeeld eindigde. „Hier worden wij gestraft voor onze bereidheid om de buitenwereld in het adviesproces te betrekken.”

Moet de SER zich niet weer op zijn oorspronkelijke taak richten, de advisering over sociaal-economische onderwerpen? „Met nog meer belangenorganisaties om tafel wordt het erg lastig alle neuzen in één richting te krijgen”, zegt Hans van Mierlo, hoogleraar openbare financiën aan de Universiteit van Maastricht. „Ik heb mijn twijfels over de verbreding van onderwerpen waarover de SER adviseert en over het laten meepraten van meer belangenorganisaties. Als het keer op keer mislukt om unanimiteit te verkrijgen, dan neemt het gewicht van de adviezen af. Ik zou zeggen: laat de SER zich tot belangrijke sociaal-economische onderwerpen beperken.”