INDONESIË PER BOOT

De samenleving aan boord van het Indonesische schip K.M. Ciremai, dat tussen de eilanden van de archipel vaart, is de samenleving van Indonesië in het klein. Frank Vermeulen praat met Indonesische reizigers aan boord tijdens de tocht van Jakarta naar Papoea Nieuw Guinea, over hun land, hun toekomst. En over hun verleden.

23 januari 2008 Jakarta – Surabaya

In een van de smalle gangetjes van het schip na het diner op het eersteklas dek, zei Bob in het Indonesisch tegen me: ‘Zeg, ken je dit liedje ook?’ En toen kraste hij in vergeeld Nederlands: ‘Schoon ver van jou, blijf ik steeds aan je denken, geprangd door rouw, bijna verteerd door smart.’ Ik zei: ‘Je bent een mooie, je spreekt gewoon Nederlands.’ Bob liet een hoog gegier horen. Hij is een compacte, donkere man van 52 en komt uit Kaimana, in het Zuid-Westen van Papoea, het voormalig Irian Jaya. Veel Papoea’s van zijn leeftijd spreken nog steeds een paar woorden Nederlands, omdat Nederland pas in 1962 de vlag streek in Hollandia, zoals de hoofdstad van Papoea Nieuw Guinea heette.

Vanmiddag tijdens de lunch gaf Bob een korte samenvatting van zijn leven. Belangrijkste elementen waren: landeigenaar, maar ook zakenman en lokale volksvertegenwoordiger. Verder: vroeger was Bob een wilde jongen. Pianospelen en zingen in restaurants. Drinken en vechten. ‘Maar ik ben door God gestraft voor dat gedrag.’ Bob gebruikt het woord ‘Tuhan’ en niet ‘Allah’,want hij is christelijk zoals de meeste Papoea’s. Met zijn straf bedoelt hij de hersenbloeding van een paar jaar terug. Hij heeft nog een kans gekregen, denkt hij. Dus heeft hij zijn leven gebeterd. Als hij loopt, sleept hij nog een beetje met zijn linkervoet. En zingen, dat gaat niet meer.

Terwijl in lichtblauwe uniformen gestoken super Javaanse pursers lauwe witte rijst opscheppen, vraag ik Bob of hij tegenwoordig beter zijn werk kan doen als lokale volksvertegenwoordiger. In Jakarta zeggen autoriteiten dat het land bezig is met decentralisatie. De eenheidsstaat van de Nieuwe Orde van oud-president Soeharto, met Jakarta als enig centrum van de macht en de president als absolute Javaanse vorst aan de top van de hiërarchie, wordt omgebouwd.Sinds enige jaren is het parool: lokale autonomie. Bob geeft een donkere blik. ‘Decentralisatie gaat volgens het principe van de slang’, zegt hij dan. ‘Wij zijn de kop, en wij hebben alle vrijheid om te kronkelen. Maar Jakarta houdt onze staart vast.

Sinds we vannacht omstreeks half vier hut 6011 betrokken in de K.M. Ciremai zijn mij enige dingen duidelijk geworden. Bijvoorbeeld dat het schip krioelt van de kakkerlakken. En dat je daar heel snel aan kunt wennen. Een eersteklas hut aan boord van de zeeschepen van de Indonesische staatsrederij Pelayaran National Indonesia (kortweg Pelni) is vrij gerieflijk. Er is een kledingkast (met daar bovenop twee gele reddingsvesten) en een douche zo groot als een vliegtuig-wc.

Er zijn twee bedden, een bureau, waaraan ik dit schrijf. De kakkerlakken – er lopen er nu drie rond mijn laptop – beschouw ik inmiddels als gestrande vliegen. Er is een stopcontact voor mijn laptop. Een intercom waardoor scheepstijdingen worden omgeroepen. En op de plank boven het bureau staat een kleine tv met satellietverbinding. Daarop is nu de lijfarts van ex-president Soeharto te zien, die zijn dagelijkse persconferentie geeft over de conditie van ‘Pak Harto’. Hij werd ruim twee weken geleden, op 4 januari, opgenomen in het Pertamina-ziekenhuis in Jakarta. Hij is stervende, daarvan is heel Indonesië overtuigd. Als je het mensen vraagt, zeggen ze lachend: ‘Hij slaapt’

Tien jaar geleden was ik erbij toen Soeharto na dertig jaar autoritair bewind aftrad.Hij maakte een afgematte indruk, die ochtend. De plechtigheid in het presidentieel paleis, in het zaaltje waar doorgaans diplomaten hun geloofsbrieven overhandigen, was een beetje geïmproviseerd. De president moest eigenlijk aftreden in het parlement, maar dat was op dat moment bezet door duizenden studenten. Soeharto trad af en zijn vicepresident Habibie werd ingezworen. De leden van de Hoge Raad moesten, opgesteld in een halve cirkel, de ceremonie nog enig cachet geven. De ministers van zijn laatste kabinet hadden de avond ervoor bijna allemaal hun ontslag ingediend. Het land verkeerde in een diepe crisis. Economisch maar ook sociaal. Speciaal de Chinese minderheid was slachtoffer van plundering, brandstichting en verkrachting. Studenten leverden dagelijks veldslagen met de politie in het centrum van Jakarta. Binnen de strijdkrachten waren spanningen tussen opperbevelhebber generaal Wiranto en generaal Prabowo, commandant van de strategische reservetroepen en schoonzoon van de president. En nu was het zover: na dertig jaar trad de machtigste man van dit ruim 200 miljoen inwoners tellende land eindelijk af. Wereldnieuws. Ik stond na de korte verklaring van Soeharto buiten de zaal in de schitterende witte zuilengalerij van dit voormalig paleis van de Nederlandse gouverneur-generaal via mijn mobiele telefoon het nieuws te vertellen aan de luisteraars van Radio 1: waarschijnlijk een stuk of zes nachtzusters op de vroege ochtend. Het was donderdag 21 mei 1998, Hemelvaart in Nederland.

Nu nadert dan het definitieve afscheid van Soeharto. Aanvankelijk leek het erop dat de oud-president snel zou overlijden aan de gevolgen van zijn falende longen, hart en nieren. Maar Soeharto is nog steeds in leven.Wel druipen de nieuwsbulletins van het vocht achter de longen van de ex-president, van het bloed uit de transfusies en van de afgetapte urine. Ook is het Astana Giribangun, het familiegraf van de Soeharto’s bij Surakarta in Midden Java, al in gereedheid gebracht. Bevriende staatshoofden van omliggende landen haasten zich naar de Indonesische hoofdstad voor een laatste groet aan hun goede vriend. De gebruikelijke parade van oude getrouwen van Soeharto trekt aan het ziekenhuisbed voorbij. De ‘glimlachende generaal’, zoals hij vroeger ook wel enigszins sinister werd aangeduid, is sinds zijn aftreden in mei 1998 al veertien keer opgenomen voor grotere of kleinere ingrepen. Meestal op het moment dat de openbare aanklager aanstalten maakte nu wérkelijk te beginnen met de vervolging van de ‘Vader van de Nationale Ontwikkeling’. Vaak begeleid door geruchten over zijn aanstaande dood. En altijd weer vergezeld van het cortège van oude vrienden. De televisie is nu begonnen met het uitzenden van necrologie-achtige levensoverzichten. Deze keer is het menens.

24 januari 2008 Surabaya - Makassar

Vannacht kon ik niet goed in slaap vallen. Dat was niet vanwege de dangdut-show. Ook al liet een van de zangeressen de mannen kronkelen van onderdrukte passie met haar ‘ngebor’, haar expliciete, borende geheupwieg. De reden van mijn slapeloosheid was dat het de eerste keer was dat ik in een ‘kooi’ lag op een varend schip. Het is een eigenaardig gevoel. Het schip rilde. Schokte af en toe een beetje.De Java-zee is rustig. Dus van stampen, slingeren, rollen en al dat soort woorden uit jongensboeken is geen sprake. Het voelt meer alsof je in de buik ligt van een levend organisme. Geen wonder dat schepen door zeelui vaak met vrouwen worden vergeleken. En probeer dan maar eens rustig in slaap te vallen.

De bedoeling is om met drie verschillende Pelni-schepen, zeg maar de lijnbussen van de Indonesische Archipel, vanuit Jakarta een rondreis te maken door het oostelijk deel van het land. Naar Jayapura, voorheen Hollandia, in het uiterste oosten van Papoea. En dan via Noord-Sulawesi en Balikpapan in West-Kalimantan terug naar Java. Het gaat er om gevoel voor de omvang van de archipel te krijgen door langzaam te reizen. Dus niet als een tijdreiziger de dimensie tijd over te slaan, want dat is wat je doet als je vliegt. De tijd geeft ruimte om kennis te maken met Indonesiërs die om een of andere reden onderweg zijn. Om te horen hoe zij naar zichzelf kijken, naar hun land, naar hun toekomst. En naar hun verleden, niet te vergeten.

Een Pelni-passagiersschip is veel meer dan alleen een betaalbaar vervoermiddel. Het is ook een door de Duitse Meyer Werft – pal over de grens bij Groningen – gebouwd vrachtschip. De K.M. Ciremai is van het type 2.000, verwijzend naar het aantal passagiers waarop het is berekend. Het is een dertien jaar oud werkpaard van circa 150 meter lang, 25 meter breed en negen dekken hoog. Een varend flatgebouw dat zich voortbeweegt met een snelheid van 22 knopen ofwel ongeveer 40 kilometer per uur. Maar het schip is ook een afbeelding van het land in het klein. Indonesië in een reageerbuis. Met al die verschillende mensen uit alle hoeken van het uitgestrekte land. Met de moskee, de bioscoop, de speelhal en de ziekenboeg. De winkels overal. Het schip met zijn keukens, eetzalen, de slaapzalen en de hutten.

Met de hiërarchisch gelaagde samenleving, waar iedereen zich zonder morren naar voegt. Met het onverbiddelijke toezicht uitgeoefend door officieren in hun witte parade-uniforms, bijgestaan door de scheepsveiligheidsdienst in donkerblauwe ketelpakken. En net als in de echte samenleving lijkt het niet mogelijk om contact te maken met de leiding. De kapitein blijft een abstractie, net als de president. De vergelijking van een samenleving met een schip is natuurlijk een cliché, maar als je er elke dag in leeft, zoals ik nu doe, lijkt het een onontkoombaar feit.

Aan de voorzijde van het schip bevindt zich onder de echte brug, nog een ‘brug’ maar dan voor ons, passagiers. Daar ontmoette ik vanmiddag Juventus. Hij geeft onmiddellijk lachend toe dat zijn vader een fan was van de gelijknamige Italiaanse voetbalclub. Juventus is leraar economie in Jakarta en de leerlingen noemen hem natuurlijk Juve. Hij is trots op zijn kennis van de Engelse taal, die hij op mij uitprobeert. Maar als hij hoort dat ik uit Nederland komt, schakelt hij weer over op Indonesisch. Hij heeft familie in Nederland en omdat die zijn moedertaal verstaat, gaat hij ervan uit dat alle Nederlanders dat kunnen.

Ons schip is vanochtend omstreeks tien uur Tandjung Perak binnengevaren: de haven van Surabaya.Twee dingen vielen mij op: het ruime Amerikaanse vlooteskader dat hier lag aangemeerd. Als sprekend bewijs van de immer uitstekende banden tussen Jakarta en Washington. En verderop de immens hoge pijlers van een brug die Java moet verbinden met het eiland Madura. Misschien is dat wel een bewijs dat de economie inderdaad eindelijk na jaren voorzichtig aan het opkrabbelen is, zoals economen mij vorige week vertelden in Jakarta.

Na aankomst zijn we van boord gegaan. Met een taxi snel naar het restaurant gereden van Hotel Majapahid. Dat is het voormalige Oranjehotel in het prachtige oude centrum van de stad. Het hotel is de geschiedenisboeken ingegaan als de plek waar Indonesische nationalisten op 19 september 1945 het blauw van de Nederlandse vlag scheurden. Zodat de huidige rood-witte nationale vlag ontstond.

Terug op het schip is de bemanning nog druk met het stouwen van lading in het ruim onder het voordek. Volgens de website van de Meyer Werft kan het schip 500 ton lading meenemen. Ik kijk met Juventus naar de bijkomende bagage: een setje lantaarnpalen, vele zakken rode uien, knoflook, kratten in soorten en maten, peperboompjes en nog meer zakken rode uien. Alles ruikt ook naar die uien inmiddels.

Is al die binnenlandse handel ook een bewijs dat het inderdaad wel goed gaat met de Indonesische economie, vraag ik. Juve snuift. ‘Het is een fabeltje dat het goed gaat met de economie. Het zijn slechts woorden, en die hebben niets te maken met de werkelijkheid. Het is als met dit schip. Om half twee heeft de kapitein omgeroepen dat we om twee uur zouden vertrekken, maar het is nu half vier en we zijn nog steeds aan het laden. Dat is de werkelijkheid.

25 januari 2008 Makassar - Bau Bau

‘Mensen zien jou gewoon als een hele, grote moderne flatscreen- tv. Vol met onbekende mogelijkheden’, zei Deny. Vandaar al die aandacht. We zaten op het achterdek van het schip. Volgens de plattegrond van het schip bevindt zich hier het ‘sundeck’. Er staat een symbooltje bij van een zonnebadende vrouw. Maar de meeste Indonesiërs hebben weinig behoefte aan de zon, die hun huid alleen maar donkerder maakt. Het postkoloniale schoonheidsideaal is: hoe witter, hoe beter. Dat kan natuurlijk ook een reden zijn voor mijn vip-status. Ik ben de enige westerling aan boord.

Op het sundeck is een van de cafetaria’s van het schip.De aanwezigen staren als gebruikelijk naar mijn witte vel.We drinken mierzoete ‘3 in 1 koffie’: koffie met melk en suiker. ‘Verreweg de meeste landgenoten kennen westerlingen alleen maar van televisie. Dus als er eentje zo dichtbij te zien is, vindt men dat heel interessant’, zegt Deny. Hij gebruikt het woord ‘bule’ dat eigenlijk albino betekent of witte. Hij herinnert zich zijn eerste live-bule van toen hij een kleuter was in Semarang aan de noordkust van Java. ‘De hele buurt liep uit.We waren met twintig kinderen. Ik weet nog hoe geweldig we het vonden om die westerlingen te zien. Daar hebben we nog dagen over doorgepraat.’ Deny ken ik al tamelijk lang. Van sinds ik tien jaar geleden als correspondent in Jakarta woonde. Hij is deze reis mijn fotograaf, tolk, leraar Indonesisch en voordeurdeler van hut 6011. Deny was er vanaf mei 1998 gewoon altijd. Een scherp observator, ondanks dat hij aan één oog blind is. Een beetje mysterieus. Voortdurend met zijn mobiele telefoon in contact met allerlei ‘veldcoördinatoren’ van de studenten die bezig waren met hun aanhoudende acties tegen Soeharto. Of later tegen de voortzetting van diens regime door zijn opvolgers: president Habibie, en generaal Wiranto, de bevelhebber van het leger.

Deny, destijds 28 jaar oud, behoorde tot een ondergronds netwerk van studentenactivisten van een eerdere lichting. Slurpend van zijn hete koffie vertelt hij nu over die tijd. Hoe zij destijds op de achtergrond de studentenactivisten probeerden bij te staan en te adviseren. Deny zegt dat hij begin jaren negentig een van de zestig oprichters was van de Persatuan Rakyat Demokratik (PRD), de Democratische Volks Unie. Een groepering van sociaaldemocratische ex-studenten die streefden naar democratisering van de Nieuwe Orde. In 1996 splitste de groep in tweeën tussen de hardliners die een politieke partij wilden en de gematigden die zich wilden toeleggen op studie, ontwikkeling en beïnvloeding van allerlei maatschappelijke sferen. Deny hoorde bij de gematigden. De politieke afdeling werd al snel onschadelijk gemaakt door de Nieuwe Orde. Kranten en tijdschriften schreven volgens Deny door het regime ingestoken verhalen over deze nieuwe ‘communistische partij’. Dat was natuurlijk een levensgevaarlijke verdachtmaking gezien het lot van de Indonesische Partai Kommunis na 1965. Nadat Soeharto aan de macht kwam, werden volgens schattingen tijdens slachtpartijen een miljoen mensen vermoord omdat zij communist zouden zijn.

In 1996 waren er voor het eerst in lange tijd grote rellen in Jakarta, nadat handlangers van het regime een aanval hadden gedaan op het kantoor van de Democratische Partij van Indonesië (PDI), onder leiding van Megawati Soekarnoputri. Deze dochter van Soekarno, de eerste president van Indonesië, durfde president Soeharto uit te dagen en werd destijds door velen op handen gedragen. De autoriteiten gaven daarom de ‘radicale’ PRD, een splinterpartijtje, de schuld van de onrust en de leiders van de partij, onder wie voorzitter Budiman Sudyatmiko verdwenen in de Cipinang- gevangenis. Daar zat hij nog toen ik in januari 1997 in Jakarta aan het werk ging. Ik ben daar ook een keer naar het bezoekuur geweest, het jam besuk. Budiman zag zijn verblijf daar als zeer tijdelijk. Ik herinner me die gevangenis overigens als een niet al te restrictieve plek. De gevangenen konden zich binnen de muren redelijk vrij bewegen. En ik kon een van de vrienden van Budiman ongehinderd een zippo geven. Budiman vertelde verhalen over zijn nog bekendere medegevangene Xanana Gusmao, destijds de Mandela-achtige vrijheidsstrijder uit Oost-Timor. In de gevangenis had hij de leiding over de volleybalcompetitie. Nu is hij premier van zijn eigen inmiddels onafhankelijke half-eiland Timor Loro-Sae.

Overigens is Budiman gezond en wel allang weer op vrije voeten. Inmiddels is hij bovendien lid geworden van de Strijdende Democratische Partij van Indonesië (PDIP) onder leiding van Megawati. Deny schudt zijn hoofd. Hij keurt het af dat Sudyatmiko gekozen heeft voor een politieke carrière bij een gevestigde partij. ‘Ik heb ruzie met hem omdat hij mij en vijftig anderen van ons democratisch netwerk ongevraagd had ingelijfd bij de PDIP.’ Deny heeft een hartgrondige afkeer van de corruptie die het politieke systeem van zijn land doordrenkt. Hij wil schone handen houden en dat kan volgens hem niet door lid te worden van een partij. Ik ben het niet met hem eens: als je wilt dat het beter wordt moet je er zelfwat aan doen, betoog ik.‘Waar hebben jullie anders die democratie voor?’

Terwijl we daarover zitten te bekvechten in het cafetaria op het sundeck komt een man met een snor en een witte wollen muts tot ver over zijn oren bij ons zitten. Hij stelt zich voor als Felix. Oorspronkelijk komt hij uit Tual, dat is de hoofdstad van de Kei-eilanden in de oostelijke Molukken. Hij werkt bij een im- en exportbedrijf in Jakarta. Nu is Felix, die 43-jaar is, met zijn elfjarige zoontje Maurits op weg naar zijn geboortestad. Maar het plan is snel door te reizen naar Merauke, helemaal in het zuid-oosten van Papoea. Daar wonen zijn schoonouders. En zijn vrouw heeft er inmiddels een goede baan gekregen als docent aan de lokale universiteit. Ze was leraar in Jakarta maar verhuisde op verzoek van de regent, de bupati, van Merauke aan wie zij is gerelateerd. Felix kan eigenlijk zijn vrouw alleen maar volgen. ‘Ik werkte bij een van de banken die door de crisis in de financiële sector eind jaren negentig moesten verdwijnen,’ zegt Felix. Zijn baan werd geschrapt. Samen met zijn vrouw – ze hebben behalve Maurits nog twee dochters – heeft hij nu twintig jaar in Jakarta gewoond, maar daaraan komt een eind. ‘Leven in Jakarta is te duur geworden. Bovendien is het als lid van een minderheidsgroep niet goed mogelijk promotie te maken.’ Felix bedoelt dat hij als katholieke Molukker geen kans heeft carrière te maken in het overwegend islamitische Jakarta waar bij gelijke geschiktheid de voorkeur uitgaat naar een Javaan. Hij is nog niet gewend aan de gedachte dat hij echt gaat verhuizen. Hij gaat nu uitzoeken of hij een baan kan vinden in Merauke.Wat voor baan? ‘Misschien weer bij een bank. Of anders in het kantoor van de bupati als financial controller.Hij is tenslotte familie.’

Maurits, zijn zoontje, komt erbij zitten. Hij heeft een T-shirt aan van zijn favoriete voetbalclub: AC Milan. Voetbalfanaat: is ook dol op Feyenoord en weet dat in Rotterdam ook nog een club genaamd Sparta actief is. Maurits spreekt eerst aarzelend, dan steeds beter Engels. Op zijn katholieke school krijgen de kinderen al sinds de kleuterschool onderwijs in die taal. Maurits wil later architect worden, of ingenieur. ‘Je naam is hetzelfde als die van een Nederlandse prins uit de zeventiende eeuw’, zeg ik. ‘Weet ik’, antwoordt Maurits met een scheef lachje, ‘dat was in de tijd van de VOC.’ Zijn vader glimt van trots. Of hij het leuk vindt om naar Merauke te verhuizen? ‘Nee’, zegt Maurits beslist, ‘Jakarta is een grote stad, en daar heb ik veel meer mogelijkheden om verder te leren.’

Makassar verschijnt tegen de schemering in zicht. Als we zijn aangemeerd in de haven, staan Deny en ik in de buik van het schip bij de uitgang op het derde dek. In het half duister hierbinnen staan de passagiers die van boord gaan in een rijtje tussen allerlei opgestapelde dozen, vol fruit en eieren. Iedereen zwijgt nerveus, het is warm en benauwd. Van de andere kant van de buitendeur van het schip is het geschreeuw te horen van de kruiers. Die staan daar te dringen om naar binnen te stormen op zoek naar de beste opdrachten. Als de deur opengaat, komen ze langs als jonge stieren door de straten van Pamplona: vol adrenaline, hun ogen hard, rennen ze voorbij. Dan komt ook de omgekeerde stroom op gang. Langzaam perst iedereen zich langs elkaar. Nog meer mensen met nog meer bagage komen aan boord. Het sloependek blijkt later vol te zitten met dekslapers. Bovendien zijn er grote pakken met in plastic verpakt voedsel die daar los rondslingeren.

Met Deny snel de wal op gegaan. Bob heeft met serieus gezicht gewaarschuwd voor die ‘Makassaarse messentrekkers’. Juventus komt tijdens het aanleggen hetzelfde tegen me zeggen. ‘Ja’, reageerde Deny, ‘dat zijn van die bekende vooroordelen die de bewoners van ons verenigd Indonesië tegen elkaar koesteren.’Bij een winkeltje pal buiten de passagiersterminal heb ik wat dingen gekocht, waaronder mango’s, water, koffie en een scherp mesje om fruit te snijden. Met de aardige Chinese mevrouw in de winkel hebben we grappen gemaakt. ‘Tante! Tante! Kan het wat sneller? Ons schip vertrekt.’ Ze stak haar tong uit.

26 januari 2008 Bau Bau

Het nieuws op tv meldt voortdurend de stijgende voedselprijzen. Het dagblad Kompas schreef gisteren dat de president ervan overtuigd is dat Indonesië slechts te maken heeft met de consequenties van de wereldwijde stijging van prijzen. Niet zijn schuld dus. Maar wel iets om je zorgen over te maken, zou ik zeggen. In Jakarta sprak ik vorige week met Amien Rais. Volgens hem hangt er door die prijsstijgingen zo aan de vooravond van de verkiezingen volgend jaar ‘een revolutionaire sfeer’ in het land. Rais was tien jaar geleden als leider van de op een na grootste moslimbeweging, Muhammadiyah, een van de drijvende krachten achter het aftreden van Soeharto. Amien zag er een stuk ouder uit. Grijzer, zwaarder en, zoals vaker hier, met blauwe staar in zijn ogen. Hij is, na een politieke carrière als voorzitter van het Parlement weer hoogleraar aan de Universitas Gajah Mada (UGM) in Jogyakarta. Hij zal vast overdrijven met zijn revolutie, maar aan de andere kant heeft hij bewezen dat hij een goed gevoel heeft voor wat leeft onder de bevolking.

Vanavond natuurlijk ook weer nieuws van het ziekbed van ex-president Soeharto: hij heeft volgens zijn artsen een beetje gedronken en gegeten. Aan de dinertafel in de eerste klasse betoogde Aui, een Chinese zakenman uit Riau die onderweg is naar Tual, gisteravond dat Soeharto moet worden berecht nu het nog kan. ‘Wat God na zijn dood met Soeharto te bespreken heeft is niet onze zaak. Maar voordat hij heengaat moet hij wel aan de mensen verantwoording afleggen.’ Chinezen, en dan met name de zakenlieden als Aui, hadden tien jaar geleden zwaar te lijden onder de machtswisseling. Overal in het land werden winkels en bedrijven van Chinezen geplunderd. Vrouwen en meisjes werden verkracht. Leger en politie, die anders zo flink kunnen optreden, stonden er bij en keken ernaar. Soms letterlijk. Zoals op die zondagochtend 17 mei 1998. De week eraan voorafgaand hadden militairen vier studenten van de Trisakti Universiteit in Jakarta doodgeschoten. Daarna was de pleuris uitgebroken: grote rellen in Jakarta en overal in het land. Bovendien sloegen plunderaars toe en werden met name huizen en winkels van Chinezen in brand gestoken. Ik had mijn gezin naar Singapore gebracht uit voorzorg. Bij terugkeer ging het plunderen nog gewoon door. Naderhand is er nauwelijks of hooguit symbolisch opgetreden tegen al die plunderaars, brandstichters of verkrachters. Geen wonder dat Aui verlangt naar recht.

Nu we een paar dagen onderweg zijn, begin ik een patroon te ontdekken in de dagelijks terugkerende gebeurtenissen. ’s Ochtends omstreeks vier uur meldt de intercom boven de schrijftafel dat men zich gereed kan maken voor het ochtendgebed en in welke richting Mekka ligt. Om zeven uur worden eersteklas passagiers gevraagd ‘netjes en beschaafd gekleed’ (rapi dan sopan) naar de eetzaal te komen voor het ontbijt. Dat bestaat tot nu toe uit afgekoelde witte rijst en koude dadar, een soort omeletje. Ik maak daarna een rondje over het schip: eerst naar het sundeck voor koffie. Later langs de moskee, de speelhal, de bioscoop en wat ik de passagiersbrug noem. Als Deny en ik rondlopen, wijken de andere passagiers. Gesprekken stokken. Alle ogen op mij gericht. Ik glimlach, schud handjes, buig, twee vingers naar mijn hart zoals moslims doen, vraag ‘permisi’, zeg ‘terima kassih’ en neem complimenten in ontvangst omdat mijn Indonesisch, voor een buitenlander, al zo vlot, zo lancar, is.

In de loop van de ochtend komt de peristaltiek van het schip op gang. Het maakt zich klaar om lading en passagiers af te scheiden en nieuwe passagiers en hun spullen op te nemen. De binnenkomst in de volgende haven is het dagelijkse hoogtepunt. Rennende kruiers, zwoegende passagiers, vreemd volk ertussendoor, verwilderde blikken, soms politiemensen die illegale sjouwers komen oppakken. Als het voorbij is, de trossen los zijn gegooid, volgt steeds de oproep dat iedereen wordt verwacht op zijn kooi te gaan zitten voor ticketcontrole. Deny heeft uit een gesprek tussen twee officieren afgeleid dat mensen zonder kaartje alsnog kunnen afrekenen. Onofficieel natuurlijk. Zo wordt er door de bemanning bijverdiend. En zo is ook nooit precies helder hoeveel mensen er echt aan boord zijn.

De afgelopen dagen is het schip ondanks de mensen die met hun spullen zijn uitgestapt in Surabaya, Makassar en Bau Bau, steeds voller geraakt.Vanmiddag zaten we even in de pantry verderop in de gang. Deze wordt alleen door ons bezocht, en dient een beetje als huiskamer. Een officier die ook op onze gang zit, komt binnen. Officieren zien er schitterend uit in hun strakke witte uniform, dat zij met een zelfde arrogantie dragen als vroeger de Hollanders deden met hun witte tropenpakken. De officier kijkt even mee naar tv. Er is een programma over een society-bruiloft in Jakarta. Kosten voor één dag 20 miljard roepia, ofwel zo’n 200 duizend dollar. ‘Pssss’, zegt de officier, ‘voor dat geld wat zij in één dag uitgeven kan dit hele schip naar het dok om te worden opgeknapt.’ Hij zegt dat er nu ruim 1.800 passagiers aan boord zijn. Samen met de 120 personeelsleden en de passagiers die grijs reizen, zijn we dus met meer dan 2.000 mensen. Dat valt te merken ook. Mannen, vrouwen en kinderen zitten nu zelfs voor de deur van onze kamer. En de overloop van het zesde dek, waar de klassepassagiers zijn gehuisvest, ligt inmiddels vol mensen en hun spullen.

28 januari 2008 Tual – Kaimana

Tijd kan ook hier in de oostelijke uithoek van de archipel plotseling in een versnelling komen. De afgelopen twee dagen gebeurde dat. Het begon eigenaardig genoeg met een alarm-bericht van het ANP op mijn mobiele telefoon. We lagen in de haven van Ambon, gistermiddag, toen op mijn Blackberry het bericht verscheen: ‘POLITIE INDONESIË: SOEHARTO OVERLEDEN.’We zetten snel het nieuws aan op de tv in onze hut. Niks te zien.We zijn even in verwarring. Maar dan verschijnt de mededeling: breaking news. Het is dus waar. Om tien over één West Indonesische Tijd is Soeharto overleden. We zitten inmiddels al twee tijdzones naar het oosten, dus bij ons was het tien over drie. Na de eerste aankondiging is er direct een commercial break voor een laxeermiddel. Het zijn inderdaad nieuwe tijden in Indonesië.

Beneden in de economy class, op het derde dek, hebben we een reportage gemaakt voor de krant. Overal zaten mensen voor televisietoestellen te kijken op het moment dat het nieuws van Soeharto’s dood bekend werd gemaakt. Diep onder de indruk waren de meesten niet. Een bouwvakker uit Tual riep Deny en mij bij zich.Hij was boos dat er zoveel aandacht was voor de dood van Soeharto. ‘Waar is dat voor nodig? Die man was door en door corrupt.’ De bouwvakker, Arief, is ongeveer veertig jaar, heeft een bruine baseballpet op zijn hoofd en een martiale snor. Hij is onderweg van Ambon-stad naar huis. Tegenover hem zat Amir. Hij is begin twintig en student natuurwetenschappen in Bau Bau. Hij was het gloeiend met zijn buurman eens. Amir is net als andere studenten aan boord op weg naar zijn familie omdat zij twee weken vakantie hebben.Amir gaat naar zijn broer in Fak Fak. ‘Soeharto heeft met zijn economische opbouw het volk helemaal niet geholpen. Alleen zichzelf en zijn familie. En een beperkt aantal zakenmensen is erg rijk geworden.’ Maar waarom zijn de Indonesiërs nooit in verzet gekomen, vroeg ik. ‘Dat durfde niemand’, zei Amir, ‘omdat er keihard werd opgetreden tegen mensen die kritiek hadden.’Maar nu gaat het toch beter met Indonesië? Er zijn toch meer democratische rechten en er is vrijheid om te zeggen wat je wilt en vrijheid van de pers? ‘Dat is heel mooi’, bromde Arief, ‘maar persvrijheid kun je niet eten. En zo denkt iedereen er hier over.’ De huidige president Yudhoyono vertrouwt hij niet. Als er weer verkiezingen zijn, zal Arief een burger kiezen en niet een ex-generaal zoals Yudhoyono. ‘Stem nooit op een militair. Politiek is voor hen een verkeerde habitat’, zei Arief. ‘Daar worden zij mensenetende tijgers, harimau.’

Twee uur na de bekendmaking van de dood van Soeharto is alle aandacht aan boord voor dat onderwerp alweer weg. De mensen van de economy class liggen te slapen, ze spelen schaak of kletsen wat.Op de tv staat een soap aan, zoals altijd. Maar hun belangstelling voor de hype in Jakarta hebben ze verloren. Vanaf de eerste aankondiging waren alle gebeurtenissen in Java te volgen op de televisiezenders, die net zoals in Nederland gebeurt met een Elfstedentocht, live verslag deden vanaf alle locaties die relevant waren voor de verdere afwikkeling van het verhaal. Bij het ziekenhuis, waar fotojournalisten met elkaar op de vuist gingen. Bij het huis van Soeharto waar de treurende familie al snel na de bekendmaking het lichaam van de pater familias in ontvangst nam. Op het vliegveld in Jakarta, en het vliegveld in Surakarta. En in Surakarta op elke straathoek en bij het Astana Giribangun, het familiegraf dat de uiteindelijke bestemming is van het stoffelijk overschot van Soeharto. Van die geheel door de strijdkrachten geregisseerde staatsbegrafenis werd minutieus verslag gedaan: duidelijk werd dat geen enkel westers staatshoofd nog met de dode gezien wenste te worden.En dat de huidige president Yudhoyono, die zijn tranen niet in bedwang had, eigenlijk een tikkeltje te emotioneel was betrokken bij het verscheiden van zijn omstreden voorganger.

Het rouwen van de familie Soeharto is een publieke aangelegenheid. Net zoals het ziekbed van de ex-president verheven was boven de gebruikelijke medisch geheimhouding. Integendeel, het team van veertig medisch specialisten gaf sinds Soeharto werd opgenomen dagelijks alle details over het verloop van zijn sterven. Het is ironisch dat de machthebber die geen vrije pers toestond, zelf aan het eind van zijn leven door diezelfde pers letterlijk binnenstebuiten wordt gekeerd. Zijn lichaam verschijnt dagelijks vele malen in driedimensionaal beeld op tv met telkens een ander falend orgaan in de hoofdrol.

Gisteren was het binnenste van Soeharto’s huis aan de Jalan Cendana zichtbaar, waar in de ontvangstkamer zijn lichaam lag opgebaard. Daaromheen zaten zijn kinderen en vele verdere familieleden. Ten overvloede werd het lijkkleed nog even teruggeslagen en werd de nieuwsgierige buitenwereld een blik gegund op het gezicht van de dode.

Vandaag werd het lichaam overgevlogen naar Surakarta en bijgezet in het familiegraf.De familie probeerde vanochtend een nieuwe traditie uit: toen de kist van het huis naar de lijkwagen werd gedragen, hielden de dragers halt, tilden de kist wat hoger en vervolgens liepen alle familieleden drie keer onder de kist door. Oudste dochter Tutut liep in zwarte sluiers. Ze depte haar gezicht voortdurend. En als zij sprak, meestal om Allah vergiffenis te vragen voor de mogelijke misstappen van haar vader die ook maar een mens was, was haar stem zo schor van al het huilen dat zij nauwelijks te verstaan was. De klassieke deugd van de Javaanse onbewogenheid is door Tutut vervangen voor de emoties van de populaire soaps, die hier sinetrons worden genoemd. Je zou bijna vergeten dat dit dezelfde zakenvrouw en politica is die de ambitie koestert om ooit president te worden. Bob was tijdens het diner kort over de kwestie. ‘In dit aardse heeft niets het eeuwige leven,’ zei hij. En hij maakte zijn favoriete gebaar als hij over Tuhan, over God, spreekt. Met de vingers van zijn rechterhand voor zijn getuite lippen blaast hij quasinonchalant een denkbeeldig stofje weg.‘Fft. Meer zijn we niet.’

29 januari Kaimana – Fak Fak

We varen al de hele dag onder de muskietenkust van Papoea. Het is nu omstreeks het middaguur en Deny en ik hebben net onze lunch gehad in de eetzaal. De muziekgroep speelde nog altijd onder de goudkleurige feestversiering waarop in rode letters staat: merry christmas and a happy newyear. De dangdut-zangeressen die ’s avonds met hun buigzame lichamen en hun smachtende stemgeluid de gemoederen opzwepen, waren in burger gekleed en zongen lieve liedjes. Gewoon deugdzame schoolmeisjes. Dit is de laatste dag aan boord van de K.M. Ciremai. Aan het eind van de dag komen we aan in Fak Fak en vandaar gaan we verder naar Jayapura met de K.M. Dorolonda.

Bob gaat vannacht van boord. Omstreeks half twee zal het schip bij Kaimana aankomen, zijn bestemming.Hij zit op zijn kooi. Geeft me drie mandarijntjes als afscheidscadeau. Dan zet hij de mp3-speler van zijn Nokia 70 aan. De stem van Engelbert Humperdinck schalt door zijn hut. ‘Every time I think about our love that never dies...’

Bob knijpt zijn ogen dicht en zijn mond zingt intens mee. Maar er komt alleen een beetje gepiep uit zijn keel. Hij zucht. ‘Voor mijn beroerte zong ik ook zoals Engelbert. Dit liedje is mijn ringtone. Maar ik vind het zo mooi, dat ik meestal niet opneem als iemand mij belt.’ En hij begint weer over zijn plan, dat hij nog een keer naar zijn familie in Zaandam wil, en de haven van Rotterdam nog eens wil zien. Hij maakt een rekensom. Misschien heeft hij twintig miljoen roepia nodig. Dat is ongeveer 2.000 dollar.

‘Heb je zoveel geld?’ vraag ik.

Bob knikt. Ach, vroeger zong hij op bruiloften en partijen twee keer per week. Voor 350.000 roepia per keer. ‘Dat was 2,8 miljoen in een maand.’ En hij werkte bij de havenautoriteiten. ‘Ik leidde een bende. Ik had een uniform en een revolver.’ Hij klopt op het denkbeeldige wapen op zijn rechterheup. ‘Ik kwam langszij bij schepen, ging aan boord en zei dan dat er iets mis was met de papieren. Dat leverde dan per keer zo’n 200.000 roepia op.Bij elkaar verdiende ik naast mijn salaris tien miljoen per maand. Allemaal monkey business. Ik was gewelddadig, Franky. Ik heb veertien keer in de gevangenis gezeten.’

Maar kon hij dan terug naar zijn werk, vraag ik verbaasd. Geen probleem, zegt hij. ‘Ze waren allemaal bang van mij.’ Dan glijdt een vredige glimlach over zijn gezicht. ‘Maar de Heer vond het tijd mij een waarschuwing te geven.’ En Bob blaast een pluisje weg van zijn vingertoppen. Fft.

Frank Vermeulen is redacteur van NRC Handelsblad. Hij was correspondent in Indonesië van 1997 tot 2000.