‘Ik had altijd een smoes’

‘Ik kon niet meekomen op de lagere school in Oldenzaal. De nonnen zetten me achterin de klas. Vaak zat ik ook in de kapel, me te vervelen. Dat ging zo in die tijd. Als je niet kon leren hoefde je niet mee te doen. Je kreeg nooit een beurt en niemand keek naar je om. Alleen als de kapelaan langskwam werd gekeken of je je catechismus kende. Het lukte me niet om die te leren. Als straf werd er dan op mijn handje geslagen.

Mijn ouders besteedden geen aandacht aan onze prestaties op school. Ze konden zelf wel lezen en schrijven, maar ze deden er nooit iets mee. Mijn moeder was huisvrouw en moeder van een gezin van acht kinderen. Mijn vader werkte hard in textielfabriek Gelderman in Oldenzaal en was daarnaast nog kolenboer. Hij had de inkomsten hard nodig, want we hadden het niet breed. Leren was niet belangrijk. Dat had je in de fabriek immers niet nodig. Het was vanzelfsprekend dat we daar zouden gaan werken.

Toch is mijn moeder op een gegeven moment heel kwaad geworden omdat de leerkrachten mijn drie broertjes aan hun lot overlieten. Ze zaten op een katholieke jongensschool en konden ook niet goed leren. Ze werden gewoon de straat op gestuurd en op een dag zag de politie ze daar en bracht ze thuis. Mijn moeder heeft ons toen allemaal van school geplukt en ons in Hengelo naar het bijzonder onderwijs – de blo – gestuurd. Dat was vooral voor mijn oudere zus pech, want ze kon op de nonnenschool wél meekomen. Ik was acht toen we naar de blo gingen en ik heb daar nooit lezen, schrijven of rekenen gehad. Ik leerde borduren, eten koken, en we wandelden in het park.

In die periode had ik geen vriendinnetjes. Eigenlijk ben ik altijd een eenling geweest, want ook daarvoor, op de lagere school, wilde niemand met me spelen. Als je op de blo zat was je bovendien niet goed wijs. Op mijn veertiende ging ik al van school af en begon bij weverij Molkenboer in Oldenzaal. Ik werkte vijf dagen per week van acht tot zes. Ik spoelde klossen. De centjes die ik verdiende gaf ik allemaal thuis af. Ik ging nog een keer per week naar de avondschool. Maar als ze me thuis nodig hadden, hoefde ik daar ook weer niet naar toe.

Ik was zelf heel bang om te leren en heb het in latere jaren altijd vermeden. Ik kon alleen hele korte woorden lezen, en schaamde me voor mijn analfabetisme. Op mijn werk hebben collega’s daar nooit van af geweten. Zelfs mijn man of dochter heb ik hier nooit over verteld. Het duurde tot mijn achtenveertigste voordat ik de stap durfde te nemen om weer naar school te gaan.

In mijn dagelijks leven was het niet noodzakelijk om te kunnen lezen en schrijven. Ik had het niet vaak nodig. Mijn man, waarmee ik al op mijn achttiende ben getrouwd, regelde namelijk heel veel. Hij deed de financiën, belastingen, verzekeringen, post en van die dingen. Bij het confectiebedrijf in Enschede, waar we sinds ons huwelijk woonden, vouwde ik hoeslakens en bedovertrekken. Het gebeurde wel eens dat je een formulier of zo moest invullen. Dan had ik altijd een smoes. ‘Ik ben m’n bril vergeten’, zei ik dan, of ‘ik neem het wel mee naar huis’. Mijn man vulde dan het formulier in. Als ik iets moest opschrijven zei ik ook vaak dat ik het wel zou onthouden. Toen het confectiebedrijf failliet ging rolde ik weer vanzelf in een volgende baan. Mijn overbuurman werkte op de universiteit en regelde er schoonmaakwerk voor me. Ik hoefde vrijwel nooit iets te lezen. Ze vertelden me wel hoeveel dopjes ik van een schoonmaakmiddel moest gebruiken. Ik was wel erg onzeker. Ik was altijd bang dat iemand me iets zou vragen en dat ik dan geen antwoord zou weten.

In de winkel kocht ik altijd alles op herkenning. Dus altijd eenzelfde pak koffie. Of iets anders goedkoper was kon ik niet zien. Mijn dochter heeft als kind wel eens gemerkt dat ik dingen las die er niet stonden. ‘Mams’, zei ze dan: ‘je moet wel beter lezen’. Als ze me in latere jaren vroeg om met huiswerk te helpen, stuurde ik haar altijd door naar mijn man. Ik had zogenaamd nooit tijd.

Elf jaar geleden overleed mijn man plotseling aan een hartstilstand. Ik was al labiel toen dat gebeurde, want drie maanden ervoor hadden we mijn broer weggebracht. Voor de begrafenis heb ik niets hoeven regelen. Dat heeft de familie van mijn man gedaan. Na zijn overlijden nam mijn schoonzoon gelukkig alle taken van mijn man over en hield daarmee mijn wereld nog overeind. Ik heb toen wel eens het gevoel gehad dat ik wel weer naar school zou willen, maar ik wist nooit waar ik naar toe moest. Uiteindelijk heb ik die stap pas vijf jaar later gezet, door de vuurwerkramp.

Ik heb een engeltje op mijn schouder gehad. Tijdens de uitbarsting schuilde ik in een kelder van een groot herenhuis dat tegenover mijn eigen huis stond. Ik dacht: nu ben ik er geweest. Mijn huis bleek naderhand totaal ontwricht, ik mocht er niet meer in. Ik had alleen een kort broekje, teenslippers en een hemdje aan. Verder had ik niets. Ik had geen enkel houvast meer. Een paar dagen na de ramp was ik in mijn auto op weg. Ik wist alleen niet meer waar naartoe. De politie heeft me toen ergens in verwarde toestand opgepikt en zo kwam ik bij een maatschappelijk werkster terecht. Zij vroeg of ik wilde knutselen of schilderen, zodat ik de ramp zou verwerken. Toen kwam er uit dat ik wel naar school wilde.

Ik ging de eerste keer met lood in de schoenen naar het ROC in Enschede. De maatschappelijk werkster is de eerste keer met me meegegaan. Al snel bleek dat er meer mensen waren zoals ik. Een broer van mijn man bleek bijvoorbeeld ook op dezelfde school te zitten. We hadden nooit van elkaar geweten dat we niet konden lezen en schrijven.

Ik ben helemaal bij het begin begonnen. Het lezen en schrijven gaat me na acht jaar les inmiddels goed af. Ik kan nu tenminste mijn twee kleinkinderen voorlezen. Vroeger fantaseerde ik in zo’n geval een verhaal. Dat zou nu niet meer kunnen, want ze kunnen allebei super goed lezen. Mijn kleinzoon van tien heeft er een knobbel voor en leest inmiddels beter dan ik. Samen nemen we de topografie door die hij op school krijgt. Ik lees dan de plaatsnamen voor en hij wijst ze aan. Voor mij is dat allemaal nieuw. Ik wist vroeger alleen vanuit Enschede naar Oldenzaal of Hengelo te rijden, via een vaste route. Laatst moest ik naar Borne, hier in de buurt. Ik volgde gewoon de borden. Zo eenvoudig is het. Ik schrijf nu ook gerust een ansichtkaart of andere tekst. Af en toe zitten er wel taalfouten in, maar dan denk ik: jammer. Ik schaam me er niet meer voor.

Sinds ik naar school ga is er een wereld voor me open gegaan. De oude Veronica is niet meer. Onlangs was de sleutel van mijn auto kapot. Denk maar niet dat ik daar vroeger zelf mee naar de garage ging, of dat ik zelf benzine durfde te tanken. Nu doe ik dat soort dingen zelf. Dat is heerlijk. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik minder was dan een ander. Maar nu denk ik: ‘ik mag er ook wel zijn’. Op mijn werk heb ik een cursus voor veilig schoonmaken gevolgd, ik ben met glans geslaagd. Inmiddels ben ik ook voorvrouw geworden.

In m’n omgeving waren veel mensen stomverbaasd toen ze hoorden over mijn analfabetisme. Zoiets staat natuurlijk niet op je voorhoofd. Ik heb het aan mijn collega’s verteld toen ik ambassadeur van het ROC van Twente werd. Sindsdien vertel ik regelmatig mijn verhaal op scholen en bedrijven, hier in de omgeving. Ik hoop daarmee andere analfabeten over de streep te trekken om naar school te gaan. De meeste mensen geloven niet dat er nog analfabeten in Nederland zijn. Maar toch is het zo. Niet alleen onder ouderen, ook onder jongeren komt analfabetisme voor. Een tijd geleden was ik op een vmbo-school in Zwolle, waar ik mijn verhaal zou doen. In een van de klassen waren de kinderen bezig om een krant te maken. Ik zag dat er veel taalfouten in stonden en vroeg de docent of ze daar aandacht aan besteedde. ‘Als ze dom zijn blijven ze dom’, zei hij toen. Ik kon wel door de grond gaan. Vroeger keken ze immers ook zo tegen mij aan. Ik probeer juist mensen te overtuigen dat je niet dom bent als je niet kunt lezen. Alleen moeten docenten iemand wel de nodige aandacht geven. En thuis is het belangrijk dat ouders hun kinderen regelmatig een boekje voorlezen. Ik vind het nog altijd een akelig gevoel dat ik dat voor mijn dochter niet kon doen en haar met een leugentje wegstuurde.”

Marijke Vromans