Hulp en straf

Mensen werken als enige diersoort samen in grote groepsverbanden, zelfs met vreemden. Het systeem blijft intact omdat mensen klaplopers straffen, ook al ondervinden ze daar zelf nadeel van, zegt onderzoeker Ernst Fehr. Maar zijn theorie is omstreden. Marcel aan de Brugh

‘Klik. Klik. Klik.’ In een kelder, ergens in Zürich, spelen dertig proefpersonen een economisch spelletje op de computer. Ze kunnen elkaar niet zien. Tussenschotten beperken het zicht. Ze spelen in tweetallen. De één krijgt 20 Zwitserse frank (ca. €12,50) te verdelen, de ander moet zeggen of hij het aanbod accepteert of afwijst. Daarna worden nieuwe, anonieme tweetallen gevormd en herhaalt het spel zich. “Nummer 27 is weer eens traag”, zegt Thomas, student sociologie, die het experiment begeleidt en vanuit een apart kamertje volgt. Hij trekt de metalen klink van de glazen tussendeur duidelijk hoorbaar omlaag en laat hem dan weer los. „Als iemand lang twijfelt over een antwoord proberen we hem zo aan te sporen”, zegt Thomas. De volgende spelronde kan pas beginnen als iedereen klaar is. De truc van Thomas werkt. Nr. 27 kiest een antwoord. ‘Klik’.

Talloze van dergelijke economische spelletjes zijn de afgelopen jaren in deze kelder uitgevoerd. Drie verdiepingen hoger zit de man die de meeste ervan heeft bedacht, de Oostenrijkse hoogleraar micro-economie Ernst Fehr van de universiteit van Zürich. Hij heeft internationaal naam gemaakt met een theorie over een van de opmerkelijkste eigenschappen van de mens: zijn extreme manier van samenwerken en zijn sterke gevoel voor rechtvaardigheid daarbij. Mensen werken als enige diersoort samen in grote groepsverbanden, zelfs met vreemden. In de biologie en ook wel in de psychologie is de verklaring daarvan een belangrijk probleem, want als ieder individu uitsluitend zijn directe eigenbelang zou nastreven, zou de samenwerking snel ineenstorten, omdat velen zouden nemen en maar weinigen zouden geven.

„We zijn hypercoöperatief en dat onderscheidt ons van andere diersoorten”, zegt de econoom op zijn met boeken en stapels artikelen gevulde kamer. Die extreme samenwerking is volgens Fehr mogelijk omdat mensen een aangeboren neiging hebben om klaplopers te straffen, zelfs als ze daar zelf nadeel van ondervinden. Dat houdt de boel bij elkaar.

Maar de theorie van Fehr stuit op veel weerstand. Van primatoloog Frans de Waal bijvoorbeeld. „Fehr zet de mens apart van het dier en dat is vreemd”, laat hij via de e-mail weten. Ronduit fel is evolutiebioloog Robert Trivers, die in 1971 als een van de eersten een theorie bedacht om menselijke samenwerking te verklaren. „Het is pure nonsens wat Fehr vertelt”, zegt Trivers aan de telefoon vanuit Jamaica.

integratie

De stammenstrijd die is ontstaan, moet snel worden opgelost. Dat vinden econoom Terry Burnham en politicoloog Dominic Johnson van de Harvard universiteit. Pas als we écht weten waarom mensen samenwerken zoals ze doen, kan ons dat helpen bij het oplossen van grote hedendaagse problemen, aldus Burnham en Johnson. Zoals de integratie van allochtonen, het klimaatprobleem (zie kader) of conflicten zoals tussen Israël en de Palestina.

Fehr houdt vast aan zijn theorie en beroept zich daarbij op de vele spelletjes die in zijn kelder zijn uitgevoerd. Onder andere de ultimatum game, dat in tweetallen wordt gespeeld. De één, de aanbieder, mag een geldbedrag verdelen, zeg 20 frank, tussen hemzelf en een anonieme ontvanger. Als de ontvanger akkoord gaat met het aanbod, mogen beiden hun deel van het geld houden. Wijst de ontvanger het aanbod af, dan krijgen beiden niks.

Het blijkt dat veel proefpersonen 30 tot zelfs 50 procent van het te verdelen bedrag weggeven. Terwijl ze de tegenpartij niet kennen – de proeven zijn immers anoniem. Verder blijkt dat aanbiedingen van 4 frank of minder door de helft wordt afgewezen. Als hun gevraagd wordt waarom, zeggen ze dat ze het onrechtvaardig en asociaal vinden. Ze kunnen daarbij erg emotioneel worden. Zoals een proefpersoon ooit schreef: “Sorry, ik ben ook een mens...Nu je besloten hebt dat je blijkbaar beter bent dan ik, krijg je niks! Geniet er van. Ik weet dat ik het zal doen.”

Op basis van onder meer dit experiment stelt Fehr dat mensen een aangeboren neiging hebben om met elkaar samen te werken. Dat beperkt zich niet tot de familie, zoals bij veel diersoorten, maar omvat ook niet-verwanten, zelfs volslagen vreemden. Mensen nemen lifters mee, geven vrijwillig bloed. Centraal in zijn theorie staat dat mensen zelfs bereid zijn offers te brengen om aardige mensen te belonen of bedriegers te straffen. Dat doen ze zelfs als ze daar op korte of lange termijn niks voor terug krijgen. In de ultimatum game zien mensen bijvoorbeeld af van de 4 frank die ze hadden kunnen verdienen om de ander te straffen voor een oneerlijk aanbod. Altruïstisch straffen, noemt Fehr dat. Die mogelijkheid tot straffen blijkt essentieel om de samenwerking in stand te houden. Als die mogelijkheid er niet is en bedriegers niet worden gedisciplineerd, zakt de samenwerking snel in.

vreemdeling

Voor evolutiebiologen is dat opofferende gedrag moeilijk te verklaren. Waarom zou iemand zichzelf benadelen ten koste van iemand anders, notabene een volslagen vreemdeling? Dergelijk altruïstisch gedrag is wel aangetoond in familieverband. Een broer, tante of neef helpen, zonder er iets voor terug te krijgen, is verklaarbaar. Ze hebben namelijk genen die de hulpverlener ook bezit. Als hij hen helpt, vergroot hij de kans dat zijn eigen genen, of in ieder geval een deel daarvan, worden doorgegeven aan een volgende generatie. En daar draait het om in de natuur.

Daarnaast kent de evolutiebiologie nog een systeem van samenwerking, gebaseerd op wederkerigheid tussen niet-verwanten. Het is de theorie die Trivers heeft opgesteld, in 1971. Het centrale punt ervan: ik doe iets voor jou en jij doet ooit een keer iets terug voor mij. Deze wederkerigheid vereist dat mensen elkaar herhaaldelijk zien, zodat een vertrouwensband kan ontstaan. Er wordt alleen samengewerkt als er voor álle partijen een voordeel aan zit. Een goede reputatie bijvoorbeeld, wat je interessanter maakt voor het andere geslacht.

Maar wat Fehr in zijn lab ziet, kan door geen van beide theorieën worden verklaard. Proefpersonen werken daar ook samen met volslagen vreemden, zelfs in een eenmalige ontmoeting. En zelfs als ze zichzelf daarmee schade berokkenen. In de ogen van Fehr hebben zich in de evolutie van de mens genen verspreid die de samenwerking in de groep in stand houden, ook al betekent het dat sommige mensen daarvoor kostbare offers moeten brengen.

Deze oude theorie, bekend onder de naam group selection, maakt de laatste jaren een opleving door. Tot verdriet van veel evolutiebiologen. Zij gaan er namelijk vanuit dat de evolutie primair werkt op het niveau van het individu. Survival of the fittest – alleen de best aangepasten overleven. Jezelf benadelen om anderen te belonen of te straffen, vergroot niet je overlevingskans, en past dus niet in dat beeld. Maar Fehr denkt dat group selection bestaat.

Zijn opvattingen hebben een storm van kritiek losgemaakt. Primatoloog Frans de Waal van de Emory universiteit in Atlanta gelooft niet dat de onbaatzuchtige manier van samenwerken uniek is voor de mens. Dergelijk gedrag is ook al waargenomen bij chimpansees en kapucijnapen. Vorig jaar nog, door een Duitse groep. In een proef hield de ene chimp de deur open voor een andere, zodat deze voedsel kon pakken, terwijl degene bij de deur niks kreeg. Volgens De Waal zijn de sociale wetenschappen te veel gericht op de uniekheid van de mens. „Ze proberen de evolutie vrij te houden van harige beesten. Dat is een gedoemde onderneming.”

Fehr verweert zich. Chimpansees zijn dan misschien altruïstisch naar bekenden toe, maar niet naar vreemden. Mensen wel. „Ik heb u nooit eerder gezien. Toch zitten we vreedzaam aan deze tafel. Als we chimpansees waren, zaten we elkaar nu af te ranselen.”

Evolutiebioloog Trivers foetert aan de telefoon. Zijn kritiek richt zich niet zozeer op de aard van de economische spelletjes. Die voert hij in zijn eigen lab ook uit. „Ze zijn een prima instrument om ons gevoel voor rechtvaardigheid te bestuderen.” Waar hij wel grote problemen mee heeft, is de interpretatie ervan door Fehr en de zijnen. Ze nemen het gedrag dat ze waarnemen in het lab als uitgangspunt en redeneren hun theorie daar naartoe. „Je kunt nooit zeggen dat iets is geëvolueerd om in de verre toekomst een bepaald punt te bereiken. Zo werkt het niet.”

Trivers vergelijkt het raadselachtige coöperatieve gedrag in het lab met de opkomst van obesitas. Lang geleden ontwikkelden zich bij de mens genen die ons stimuleerden vetten en suikers te eten. In een omgeving van grote schaarste had dat zin. Maar met de voedselovervloed van tegenwoordig leidt het in grote delen van de wereld tot zwaarlijvigheid. De genen vormen nu een maladaptatie, zegt Trivers.

Zo is het ook met de waarnemingen die Fehr in zijn lab doet. Ooit ontwikkelde zich bij de prehistorische mens het vermogen om met niet-verwanten samen te werken. Maar in de huidige grootstedelijke omgeving krijgt hij niet altijd iets terug, omdat er zoveel vluchtige contacten zijn. Het helpen of bestraffen van vreemden, zelfs als dat iets kost, is in de ogen van Trivers ook een maladaptatie. „Zoals je naar de bioscoop kunt gaan en weet dat je een volkomen onschadelijke horrorfilm gaat bekijken, maar je vervolgens toch dood schrikt.” Onze biologische erfenis speelt ons hier parten.

Fehr blijft bij zijn theorie en ondersteunt die met antropologische en paleontologische gegevens. De !Kung in de Kalahari-woestijn krijgen gemiddeld elke 50 jaar met een extreme droogte te maken. De stammen klonteren dan samen bij de overgebleven waterputten en moeten het schaarse water zien te delen met mensen die ze nooit eerder hebben gezien en die ze na hun opsplitsing waarschijnlijk ook nooit meer weerzien. En zo reisden de Pintupi in de Westelijke Australische Woestijn vaak honderden kilometers op zoek naar een bepaald soort hout om speren van te maken. Ze hadden daarbij talloze, eenmalige ontmoetingen met vreemden. De mens is door de evolutie gekneed om te leren omgaan met vreemden, betoogt Fehr.

hersenkwab

De econoom probeert inmiddels te bewijzen hoe diep verankerd het altruïstisch gedrag, en het gevoel voor rechtvaardigheid, in ons wezen en onze biologie is verankerd. Zijn groep liet vorig jaar, in een ultimatum game, zien dat mensen egoïstischer worden als bij hen een gebiedje in de rechter frontale hersenkwab tijdelijk wordt ‘uitgeschakeld’. Dat gebeurde door een in plastic verpakte spoel tegen het hoofd te houden en er vervolgens stroom doorheen te laten gaan. De mensen kregen blijkbaar een ander idee over wat eerlijk is, en wat niet. Bijna de helft accepteerde de aanbieding 16/4 (16 frank voor de verdeler, 4 voor de ontvanger), terwijl die in de controlegroep door 90 procent werd afgewezen.

Ook toonde zijn groep aan dat we echt genieten van het bestraffen van oneerlijke aanbiedingen. Fehr werkte daarvoor samen met psychiaters van zijn universiteit. Ze maakten hersenscans van mensen die in een ultimatum game een onredelijk aanbod hadden gekregen en een sterke wens hadden om te straffen. Bij hen lichtten hersengebieden op die in verband worden gebracht met de verwerking van beloningen, zoals het winnen van geld of het krijgen van een shot cocaïne. „Het spreekwoord is niet voor niks: wraak is zoet”, zegt Fehr.

genetisch identiek

Zo heeft recent Zweeds onderzoek met eeneiige en twee-eiige tweelingen aangetoond dat altruïsme en het gevoel voor rechtvaardigheid een sterke genetische component hebben. Eeneiige tweelingen, die genetisch identiek zijn, reageren beduidend vaker hetzelfde op een onredelijk aanbod vergeleken met twee-eiige tweelingen.

Trivers en De Waal ontkennen niet dat erfelijkheid van belang is. „Dat past ook prima in mijn theorie”, zegt Trivers. En als een soort uitsmijter: „We moeten niet aardig zijn voor het collectief van Fehr.”

Hoe deze stammenstrijd afloopt, valt niet te voorspellen. In de kelder van Fehr gaan de experimenten gewoon door. Zijn secretaresse, Sally Gschwend-Fischer, vertelt dat de studenten voor hun deelname echt geld verdienen. Ze krijgen per experiment zo’n 100 Zwitserse frank, zegt ze, en wijst naar een grijs kluisje. „Daar zit soms wel 50.000 frank in.”