Het Nederlandse tussenjaar ’68

Anders dan in veel andere landen bleef het in 1968 rustig in Nederland. Toch waren er omwentelingen in infrastructuur, gelijkheid van man en vrouw, economie en onderwijs.

Mobiliteit was in het Nederland van 1968 al een structureel probleem. Aan de oplossing ervan werd voortvarend gewerkt. Zo verscheen langs de snelweg Den Haag-Rotterdam de eerste praatpaal. Foto ANWB Fotoarchief ANWB Fotoarchief

Terwijl de hele wereld in vuur en vlam stond, van Praag, Parijs en Mexico tot Saigon, Leuven en Chicago, en de repressie in Moskou, Peking en Madrid gewoon doorging, was 1968 in Nederland niet meer dan een tussenjaar.

Het speelse protest van provo en de onhandige reactie daarop van de autoriteiten waren in Nederland eigenlijk alweer over hun hoogtepunt heen. Nederland maakte al in 1966 kennis met onbeheersbare schermutselingen op straat – eerst bij het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus, later dat jaar met het bouwvakkersoproer en de bestorming van dagblad De Telegraaf. De diepgaande politisering van de maatschappij moest nog beginnen: georganiseerde bezettingen en ander studentenprotest dienden zich pas in 1969 aan, op de door studenten in ‘Karl Marx Universiteit’ omgedoopte Tilburgse hogeschool en in het Maagdenhuis in Amsterdam.

Het jaar 1968 begon optimistisch. Met de invoering van de de Algemene wet op de bijzondere ziektekosten en de Wet op het minimumloon was het bouwwerk van de sociale welvaartsstaat zo goed als af. Maar Nederland was wel op drift. De economische groei, schommelend tussen 2,3 en 9,0 procent, leek sinds 1960 onstuitbaar. Dankzij het loslaten van de ‘geleide loonpolitiek’ en de stijgende aardgasbaten kon hij eindelijk ook worden geconsumeerd. „Twaalf miljoen oliebollen dansen in de pan”, zong cabaretier Wim Kan in zijn oudejaarsconference van 1963. Dat inwonertal was op 1 januari 1968 gegroeid naar 12.661.095. Het werd, kortom, drukker op de wegen en het spoor, in de collegezalen en de overloopgemeenten bij de grote steden.

En dat in een machtsconstellatie waarin de PvdA al sinds eind 1958 geen regeringsverantwoordelijkheid meer droeg. Alleen tussen april 1965 en oktober 1966 deden de sociaal-democraten even mee. In 1968 werd Nederland geregeerd door een coalitie van KVP, VVD, ARP en CHU, onder leiding van premier Piet de Jong (KVP).

Er waren zeker vier structurele problemen. De drukte op de wegen liep uit de hand. De emancipatie van de vrouw kwam op de agenda. De schaalvergroting in de economie leidde tot onvrede en het onderwijs moest moderner.

Vervolg Mei '68: pagina 3

Voor het eerst waren man en vrouw elkaars gelijke

Mei ’68 De eerste schermutselingen waren in Nederland voorbij en het studentenprotest zou pas een jaar later volgen

Dat nam niet weg dat de balans overzichtelijk was in december 1968, de maand waarin de V.P.R.O. zich niet meer exclusief protestants ging noemen en de puntjes in de naam schrapte. Zo stelde een wet cremeren voortaan gelijk aan begraven. Daarmee was 1968 nog niet betekenisloos.

Ten eerste de mobiliteit. In 1951 had de Wegenwacht nog maar 250.000 leden. In 1968 was dat aantal gestegen tot ruim één miljoen. Autobezit en wegennet waren onvoldoende op elkaar afgestemd. Toch was er in 1968 een doorbraak. In februari ging in Rotterdam de eerste metro rijden, met 3,88 kilometer het kortste lijntje ter wereld. In Amsterdam ging ten langen leste de IJ-tunnel open. En bij Utrecht werd het eerste ‘klaverblad’, snelwegknooppunt Oudenrijn, opgeleverd.

De regering presenteerde in februari een Rijkswegenplan dat voorzag in de aanleg van 1.900 kilometer autosnelweg. Men was optimistisch. Dat radio-uitzendingen veertig jaar later permanent voor filemeldingen zouden worden onderbroken, was in het maakbare Nederland van toen ondenkbaar.

In het oog sprong ook de schoorvoetende emancipatie van de vrouw. Sinds 1957 werd de gehuwde vrouw bij wet ‘wilsbekwaam’ geacht, waarmee werd bedoeld dat getrouwde vrouwen niet voor elke transactie de handtekening van hun man nodig hadden. In 1968 werd het volgende stapje gezet. De Tweede Kamer schrapte in het Burgerlijk Wetboek de bepaling dat de man het ‘hoofd der echtvereniging is’. Het gezin zou voortaan door twee personen worden geleid.

In mei 1968 werd de eerste vrouwelijke raadsheer in de Hoge Raad geïnstalleerd: mej. mr. Minkenhof, zoals de ongehuwde vrouw toen nog consequent werd aangeduid. In 1971 zou het kabinet-De Jong ook een einde maken aan de strafbaarheid van voorbehoedsmiddelengebruik, het onderscheid tussen heteroseksuele en homoseksuele ontucht en de ‘grote leugen’ als reden voor echtscheiding – tot die tijd moesten echtelieden voorwenden dat er overspel was gepleegd als ze hun huwelijk wilden ontbinden.

Voor de goede orde: in de praktijk waren man en vrouw nog helemaal niet gelijkwaardig. De lonen voor vrouwen waren onbeschaamd veel lager en de belastingtarieven juist hoger. De oprichting van de feministische actiegroep Man Vrouw Maatschappij kwam in oktober 1968 dus niet als een verrassing. Het nu veel bekendere Dolle Mina zou pas anderhalf jaar later de barricaden betreden.

Een derde kwestie die dringend moest worden aangepakt was de schaalvergroting in de volkshuishouding. In 1968 werd Nederland overrompeld door een ontwikkeling die nu globalisering zou worden genoemd. Oude industriële sectoren verloren de slag met lagelonenlanden. Nederland surfte met een gemiddelde inkomensgroei van 5 procent nog op de laatste golf van de ‘loonexplosie’. Ook waren de handelsbelemmeringen binnen de Europese gemeenschap opgeheven. Zo was de wolindustrie in Tilburg niet meer opgewassen tegen de goedkopere concurrentie uit Prato in Italië. Hetzelfde gold voor de textielsector in Twente, waar Van Heek & Co in juni moest sluiten.

De scheepsbouw werd gered toen Verolme concurrent NDSM (Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij) overnam. Groningen, waar wel aardgas werd gewonnen maar steeds minder laagwaardige industrie was te vinden, eiste en kreeg speciale overheidssteun, wat in 1968 betrekkelijk normaal was. Dat zou pas veranderen na de RSV-enquête in 1983/1984, de eerste parlementaire enquête in ruim 35 jaar.

Het latere Rijn-Schelde-Verolme was niet de enige onderneming die schaalvergroting zocht. 1968 was het jaar van de fusies. Het Parool en de Volkskrant gingen op in de Perscombinatie. De uitgeverijen Kluwer en Tjeenk Willink zochten elkaar op, evenals Elsevier en Misset. De bouwondernemers HBM en HCG fuseerden tot HBG. De vastgoedbedrijven Wereldhave en Van Saane deden hetzelfde. Voor vakbondsleider Jan Mertens van het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) was dat aanleiding om in oktober de alarmbel te luiden. Concentratie van bezit leidde volgens hem tot concentratie van macht. De ‘Tweehonderd van Mertens’ werden spreekwoordelijk voor het old boys network, dat de Volkskrant nu jaarlijks afdrukt als hitparade.

Was er dan helemaal geen kwalitatieve vernieuwing? Jawel. In 1968 werd ook zichtbaar dat de naoorlogse industrialisatie onder druk stond. Vanuit het nieuwe gebouw van De Nederlandsche Bank in Amsterdam loste Nederland de laatste schuld van de Marshallhulp af: 65,5 miljoen gulden werd teruggegeven aan de VS, die de lasten van de Vietnamoorlog niet meer konden camoufleren. In Enschede werd begonnen met het ultracentrifugesysteem, ter verrijking van uranium. En in Apeldoorn opende Philips een computerfabriek. In Nederland stonden inmiddels 800 computers, 788 meer dan in 1958.

Een volgende vernieuwing was, ten vierde, de hervorming van het onderwijs. In 1968 werd de periode waarin een leerling leerplichtig is verlengd tot negen jaar, de eerste verandering in de leerplicht sinds 1900. Het onderwijs barstte uit zijn voegen. De klassen en collegezalen zaten overvol door de naoorlogse babyboom. Het aantal eerstejaarsstudenten nam in 1968 met 18,5 procent toe. Het populairst waren rechten, geografie, pedagogie en tandheelkunde. De alma mater zelf waande zich nog in de negentiende eeuw, met verregaande academische vrijheid en tentamens bij de professor thuis.

In februari kondigde de commissie-Maris aan dat de universiteit moest worden gecentraliseerd onder controle van de minister. Op lager niveau dienden bestuurders, te weten decanen, de plaats van de almachtige hoogleraren te gaan innemen. Daartegen volgde fel protest van de meerderheid in de Nederlandse Studentenraad, onder voorzitterschap van economiestudent Eduard Bomhoff, die in 2002 nog kortstondig minister zou worden voor de LPF.

De Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) kraakte harde noten over het Nederlandse onderwijs. Het selectiesysteem was te grof en de academische vrijheid te groot. Onderwijs was niet ‘maatschappelijk relevant’ genoeg, al formuleerde de Oeso het minder links. Dat speelde zich af in mei, tweeënhalve maand voor de definitieve invoering van de Mammoetwet, die een einde maakte aan schooltypes als hbs, mms en mulo.

Regeringscommissaris Posthumus presenteerde in oktober 1968 een nieuwe blauwdruk voor het wetenschappelijk onderwijs. De studie moest korter en de propedeuse werd verplicht, gevolgd door twee fasen waarvan alleen de laatste zou opleiden tot de wetenschap. Het verzet tegen deze ‘schoolse knieval’ voor het bedrijfsleven was hevig, maar uiteindelijk tevergeefs. Iedereen zou later grotendeels conform Posthumus studeren.

In Nederland was 1968 eerder een overgang van de korte jaren zestig naar de lange jaren zeventig. De jaren zestig begonnen in 1963 met de verstoorde NAVO- taptoe in Amsterdam, wegens deelname van het dictatoriaal geleide Portugal, en eindigden begin 1969 met het uitroepen van de Karl Marx Universiteit in Tilburg. De jaren zeventig dienden zich in 1969 aan met de Maagdenhuisbezetting en eindigden in 1982 met het aantreden van het kabinet-Lubbers.

Anders gezegd: 1968 was in Nederland een uniek jaar tussen de ludieke jaren zestig en de politieke jaren zeventig.