Help, het kind verdwijnt

Volgens de ontwikkelingspsycholoog prof. dr. W. Koops zou het onderscheid tussen kind en volwassene er pas na de middeleeuwen zijn. Door het gedrukte boek zou dat onderscheid er gekomen zijn en door tv en internet zou het aan het verdwijnen zijn. Door die grotere beschikbaarheid aan informatie zouden kinderen weer volwaardige gesprekspartners zijn (nrc Handelsblad, 19 april).

Als ontwikkelingspsychologisch onderzoeker merk ik van die volwaardigheid helemaal niets. Zo heb ik bij twintig kinderen tussen 3 en 8 jaar de ontwikkeling van het kloklezen gevolgd. Ik stel half twee in. Maurits van 5 jaar en 8 maanden: `Twee uur`. Ik: `Nee.` `Zes uur.` `Nee, dat is `t ook niet.` `Eén voor zes`. `Waarom?` `Want de grote staat op de 6 en de kleine op de één`. `Nee.` `Op de twee.` `Nee, tussen de één en de twee. En dan is `t half twee` - `Half twee?!`

Door de wijzers van 1u00 naar 2u00 te laten gaan, leg ik uit dat en waarom 1u30 half twee is. `Snap je?` `Ja`. Ik stel 4u30 in. Maurits: `Zes uur, want de grote staat op zes.` `Nee.` `Vier uur.` `Nee.` `Vijf uur.`

Maurits` reacties zijn wetenschappelijk erg relevant omdat ze wat over zijn psychologische structuur zeggen. Maar of we in hem een volwaardige partner kunnen zien om over de klokkentijd te praten? Dat waag ik te betwijfelen. Dat geldt ook voor de veel ingewikkelder onderwerpen waarover Koops aanbeveelt dat `we kinderen heel pril zouden moeten leren welke waarden wij van belang vinden`, zoals de beurt nemen, rationeel argumenteren, consensus nastreven.

Zeker, dat zijn heel nastrevenswaardige zaken. Alleen moet het kind er psychologisch en neurologisch wel aan toe zijn. Het nemen van de beurt bijvoorbeeld vinden kinderen vooral tussen gemiddeld 26 en 31 maanden buitengewoon lastig. Rond 31 maanden ontstaat het allereerste toekomstbesef en kunnen ze wel de beurt nemen. Let wel: niemand heeft ze dat verteld - daar komen ze zelf achter als ze neurologisch en psychologisch over de benodigde structuur beschikken.

Koops onderscheidt ten onrechte niet naar de vorm en de inhoud van het psychologische functioneren. De vorm (louter mondelinge informatieoverdracht, boeken, internet) verandert echter principieel niets aan de inhoud van de psychologische structuren.

Verder mogen middeleeuwers dan geen psychologische theorie(ën) gehad hebben over de psychologische ontwikkeling van het kind, dat wil mijns inziens nog niet zeggen dat ze kinderen ook als `volwaardige gesprekspartner` of anderszins in alle opzichten als volwassenen hebben behandeld. En ten derde stelt Koops `leren` in de zin van `onderricht geven` ten onrechte gelijk aan `leren` in de zin van `kennis verwerven`.

Het kind is er altijd geweest, ook toen men er geen theorie over had. Het is er nu, ook al wil Koops het niet zien. En het zal er altijd zijn omdat ons psychologische functioneren nu eenmaal afhankelijk is van de verbindingen die er al dan niet tussen de verschillende hersendelen zijn - boeken of niet; internet of niet.