Elke dag tien tot twintig vrachtwagens met lijken

Dertig betrokkenen vertellen hoe 64 jaar geleden in Limburg begraafplaats Margraten ontstond. „De mannen die hier werkten, hebben daar hun hele leven last van gehad.”

Jules van Laar (84) ging eind 1944 aan het werk op de Amerikaanse begraafplaats in Margraten. Samen met een groep andere Zuid-Limburgers assisteerde hij de veelal uit zwarte militairen bestaande Gravendienst van het Amerikaanse leger, die het bergen van het groeiende aantal gesneuvelde soldaten niet meer alleen aankon.

Dagelijks arriveerden in Margraten tientallen dode Amerikanen, die waren omgekomen bij veldslagen in Duitsland en de Ardennen. Van Laar was toen twintig jaar. Elke ochtend stonden er tien à twintig trucks met lijken, vertelt hij. „Sommige militairen waren compleet verminkt. Anderen waren door verbranding kleine mummies geworden. Verschrikkelijk. Die legden we met hun vieren in één graf.”

Zijn vader raadde hem aan op de begraafplaats te gaan helpen, zegt Van Laar. „Die Amerikanen hebben ons bevrijd jongen, hield hij me voor. Ik voelde dat ik het moest doen. Ik kón niet anders. Het was zwaar werk, zeker psychisch. Vergeet niet dat ik bijna nog een kind was, al was ik eerder twee jaar tewerkgesteld geweest in Duitsland. Als ik ’s ochtends wakker word, ben ik vaak nog in de oorlog.”

Van Laar, woonachtig in Banholt, vertelt zijn verhaal in zorgcentrum de Appelgaard in Margraten. Deze regenachtige middag halen hier meer Zuid-Limburgse senioren herinneringen op aan de periode rondom de aanleg van de Amerikaanse begraafplaats, waar in 1946 zo’n 20.000 lichamen lagen. Ze doen dat op verzoek van de Samenwerkende Heemkundige Organisaties Margraten (SHOM), die druk bezig zijn met het project Akkers van Margraten. Dat is een ‘oral history’-project – de SHOM verzamelen dertig persoonlijke getuigenissen, die de geschiedenis van de begraafplaats en de betekenis daarvan voor Margraten duidelijk moeten maken.

Aan de hand van de verklaringen, die ook beschikbaar worden gesteld aan de Data Archiving & Networked Services (DANS) van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, laten de SHOM de filmers Eugenie Jansen en Albert Elings een documentaire maken. Die moet volgend jaar klaar zijn.

Voor het project ontvangen de SHOM een subsidie van het ministerie van VWS in het kader van het programma ‘Erfgoed van de Oorlog’. VWS heeft eenmalig, voor de periode 2007 tot 2009, ruim 21 miljoen euro toegekend aan organisaties en instellingen die zijn betrokken bij het beheer van erfgoed en herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding van Nederland, komende maandag 63 jaar geleden.

Colette van Laar-Prevoo (88) uit Margraten vierde het einde van de Duitse bezetting al in september 1944. Ze herinnert zich dat haar ouders in november van dat jaar „gedwongen” een deel van de landerijen bij hun hoeve moesten afstaan voor de aanleg van de Amerikaanse begraafplaats.

„Mijn vader wist daar helemaal niets van”, vertelt ze in haar woning bij de Appelgaard. „Het was vruchtbare grond. ‘De beste grond is niet goed genoeg voor mijn doden’, placht kapitein Joseph Shomon, hoofd van de Gravendienst, altijd te zeggen. Zo ging dat.”

Jo Purnot, secretaris van de SHOM, zegt dat „de oorlog leeft” bij deze mensen. „Veel méér dan ik ooit had aangenomen. Deze tachtigers zijn daar dagelijks mee bezig.”

Mieke Kirkels, coördinator van het project Akkers van Margraten: „De mannen die op de begraafplaats hebben gewerkt, hebben daar de rest van hun leven last van gehad.”

Voorzitter Frans Roebroeks van de SHOM zegt dat de ‘witte’ Amerikanen in die tijd niet met hun zwarte landgenoten samen mochten vechten. „De zwarten waren daardoor veroordeeld tot arbeid op de begraafplaats. ‘Het is gruwelijk werk’, hoorden zij kapitein Shomon meer dan eens zeggen, ‘maar júllie sneuvelen niet’.”

Uit de getuigenissen bleek ook dat het in Margraten, als gevolg van de vele doden, destijds enorm heeft gestonken. „De trucks met de opgestapelde lijken reden met negentig kilometer per uur door de Limburgse dorpen, zodat de mensen minder last hadden van die penetrante lucht”, vertelt Roebroeks.

De oude inwoners van Margraten herinnerden zich ook dat hun omgeving „zwart zag” van de vliegen. Roebroeks: „Als de emmers bij het melken onder de koe vandaan kwamen, zaten die vliegen daar meteen in, die waren niet tegen te houden.”

Ondanks alles zijn de ruim twaalfhonderd zielen die in Margraten woonden een dikke zestig jaar geleden cool gebleven, concludeert Mieke Kirkels van het project Akkers van Margraten. De „rustige werkers in de löss” – het merendeel was landbouwer – waren niet gewend hun emoties te tonen. „Ze waren wél gewend om tegenslagen te verwerken.”

In 1948 maakte een aantal bewoners van Margraten zich opnieuw verdienstelijk op de dodenakker: ze hielpen mee bij het opgraven van 11.000 Amerikanen, die op verzoek van hun nabestaanden naar de Verenigde Staten werden verscheept. Precies 8.301 soldaten hebben hun laatste rustplaats in het dorp, dat volgens Kirkels „bijzonder trots” is op de begraafplaats.

Ze zegt dat alle graven door burgers uit de regio zijn geadopteerd: ze voorzien ‘hun’ graf regelmatig van bloemen. „De Amerikaanse familieleden waarderen dat zeer. Er zijn daardoor tal van vriendschappen ontstaan. Nergens in Nederland spreken de mensen beter Engels dan in Margraten.”