Een heidetakje uit Westerbork

Het revue-artiestenpaar Armand Haagman en Louisette was voor de Tweede Wereldoorlog beroemd in binnen- en buitenland. Hij werd vermoord in Auschwitz. „Schat denk eraan hou je goed op het tooneel.”

Een takje dopheide achterop een brief. Soms dient een verhaal zich aan, als je er niet op bedacht bent en zo maar wat zit te bladeren in het archief van een vooroorlogse revuester.

Naast het takje dopheide staan drie woorden onder elkaar geschreven: Hartelijk Gefeliciteerd Armand. Het takje, nog maar twee vingerkootjes lang, is bruin geworden, het rozerood van de dopjes is verschoten. De heide bloeide in Westerbork toen het bijna zesenzestig jaar geleden werd geplukt en vastgeplakt met een roodgestreept strookje papier.

De brief, gedateerd op 1 september 1942, beslaat de zijden van een dubbel vel uit een gelinieerd cahier. In de nalatenschap van Louise Augusta van Geijtenbeek bij het Stadsarchief Amsterdam bevinden zich ook vijf portefeuilles vol schriften met een blauwe kaft. Ze bevatten teksten van sketches en liedjes en scènes voor revues: Hallo Parijs!, Lachpillen, Parijs-New York, Europa lacht weer, Relletjes op het Leidseplein. De componist en tekstdichter Armand (Abraham Coenraad) Haagman moet zo’n schriftje bij zich hebben gehad.

Hij was achtenvijftig. Zijn geliefde, de revue-artieste Louisette, zou op 4 september zestig worden. Aan haar schreef hij uit kamp Westerbork de brief met het takje. „Wij hebben wel nooit iets aan onze verjaardag gedaan maar aangezien wij toen altijd bij elkander waren was dat gewoon, fijne schat.” Hij hoopte volgend jaar weer bij haar te zijn en dat God hen het geluk zou geven alles weer te hebben „zoo als wij het wenschen”.

Louisette had net een engagement achter de rug van zes volle weken in het Scala in Den Haag bij de revue Parade van Van Tol en Bouwmeester. Zonder hem. Tijdens het interbellum stonden ze bekend in binnen- en buitenland als onafscheidelijk paar: Louisette, de allround vedette met de allure van de ster Mistinguett uit het Parijse cabaret en Armand Haagman, de bekende componist van een uitgebreid repertoire swingende liedjes en ballades als haar begeleider aan de vleugel en sidekick in sketches. Hij was joods. Zij niet. Ze waren niet getrouwd.

Hij ziet er gedistingeerd uit en zij voyant op het omslag van de bladmuziek van Half om Half, Haagmans ‘duet komiek’ waarin de man-vrouwrelatie op de hak wordt genomen in de luchtige, schalkse sfeer van de vooroorlogse lichte muze.

Hij: Als ik nog eens zou trouwen, is ’t zeker niet met jou.

Zij: Ach vent je hebt ’n deukje in je hoofd.

Hij: Mijn vrouw moet heel onschuldig zijn en boven alles trouw.

Zij: Jij bent een idioot als je het gelooft.

In het vervolg van zijn brief uit Westerbork vertelt Haagman hoe de tranen in ieders ogen stonden toen de vrouw „van een van onze lotgenooten op het werk” permissie kreeg haar man even te bezoeken. Tot ze weer lachten nadat de man de meegebrachte boterkoek verdeelde onder zijn vrienden die in een put werkten. De overigen keken naar het eten ,,precies als kinderen van 3 jaar”.

Hij vraagt haar om een flesje paraffine, maar wel voorzien van een etiket van een apotheek met „driemaal daags een lepel” erop, zodat het als medikament door kan gaan. En hij tekent het vierkante lantaarntje dat hij graag wil hebben „want anders breek ik ’s nachts mijn pooten wanneer ik naar buiten moet.”

Als brieven uit Westerbork al aankwamen, waren ze langs de kampcensuur gegaan. Het is niet bekend via welke weg Louisette de brief heeft gekregen. Noch of de verzochte spullen hem hebben bereikt. Haar nalatenschap, dertig portefeuilles en mappen, omvang twee meter, is tegelijkertijd de nalatenschap van Haagman. Zijn partituren, orkestpartijen en teksten in geschreven en gedrukte vorm. Zijn naam vermeld op affiches en bladmuziek en in de knipsels. Zijn gestalte op de foto’s. Een kleine, beweeglijke man met een open twinkelende blik die de kunst verstond comfortabel te poseren. Als de gesoigneerde componist van eigen werk en met snor, baard, pruik of hoofddeksel in de komische typetjes die hij neerzette naast de fotogenieke Louisette in haar voortreffelijke garderobe. Haar glamour paste bij zijn flair. Ze was zijn muze, maar ook andere artiesten, onder wie Fien de la Mar, Stella Fontaine, Louis Davids, zongen zijn repertoire, dat al vroeg roem vergaarde, tot over de grenzen. Toen hij er niet meer was, is het vrijwel vergeten geraakt.

Hoe duid je een leven waar je geen weet van hebt? Door het werk te interpreteren? De kale feiten aan te kleden? De bladzijde met het verdroogde takje dopheide leest als een beknopte biografie. Het is de verstreken tijd die de betekenis eraan heeft gegeven.

Haagman werd op 17 mei 1884 geboren in het centrum van Rotterdam, in de Aert van Nesstraat. Hij groeide op in Anderlecht, waar zijn zusje Bertha werd geboren, en in Brussel. Toen zijn ouders, koopman Conrad Abraham Haagman en Esther Polak, naar Amsterdam verhuisden, stond hij op diverse adressen bij hen ingeschreven. Zijn leertijd aan het conservatorium in Luik vulde hij op avontuurlijke buitenlandse reizen aan met tango- en jazzinvloeden. (Herman Openneer noemt hem in Jazzbulletin van januari 2007 een jazzpionier.)

In 1914 woonde Haagman, ‘componist’, op de Weesperstraat. Uit die periode stamt ‘Op straat gezet’, dat vertelt van een huisuitzetting in de Amsterdamse Jodenbuurt: ,,’k Ben in naam der wet/ Zoo de straat op gezet/ Me heele koeke-soopie/ Staat voor ieder voor spot/ ’t Is een schande voor God.” Onderaan de bladmuziek worden de ruim gebruikte jiddische woorden verklaard. Gotspe = brutaliteit. Ragmones = medelijden. Verswarste nar = malle. Haagman zal de buurt goed hebben gekend. En hij zou er terugkeren.

Kort voor zijn 58ste verjaardag moest Haagman op last van de bezetter weg uit het huis in de Haarlemmermeerstraat in Amsterdam-west waar Louisette en hij sinds juni 1936 woonden. Een geriefelijk, modern huis. Met een auto voor de deur, zo blijkt uit een gespecificeerde nota die Graftdijk’s Automobielbedrijf hem toestuurde voor benzine, reparaties en het aanslepen van de wagen. Bewaarde Louisette alles waar zijn naam op stond?

Haagman werd op 11 mei 1942 ingeschreven bij Abraham en Klaartje de Wilde op de Nieuwe Keizersgracht 13, een paar huizen van de Weesperstraat, middenin het Judenviertel. Het smalle, hoge pand met de halsgevel bestaat niet meer. Het werd begin jaren zestig afgebroken. Links van nummer 15 bevindt zich de entree naar de garage van Herman Hertzbergers studentenflatgebouw.

De woonkaarten van het adres, van alle adressen, werden tijdens de bezetting nauwkeurig bijgehouden. Kruisjes in de kantlijn bij de namen van joden en hun bestemming nadien: ‘Duitschland’, met een datum. Het is niet moeilijk om het verdwenen huis en zijn vermoorde bewoners te reconstrueren op papier. Dat kan door de gegevens van toen te combineren met de namen en data die de Oorlogsgravenstichting en het Digitaal Monument Joodse Gemeenschap Nederland op hun sites hebben staan. De kapper Isidor Goudsmit en zijn tweede vrouw Elise Mauricette Levy. De kleermaker Jozef Hoepelman. De vertegenwoordiger Jacob Falkenburg. Het echtpaar De Wilde. Abraham Coenraad Haagman. Bij hem staan op de sites geen verdere aanduidingen dan de geboorte- en sterfdata: Rotterdam 17 mei 1884. Auschwitz 8 oktober 1942.

Het bericht van de dood van haar geliefde zou Louisette pas vier jaar en vijf weken later vernemen. Ze heeft de brief van 13 november 1946 van het Rode Kruis bewaard waarin staat dat hij ,,op of omstreeks Oct. 42 in of in de omgeving van Auschwitz aan de gevolgen van vergassing is overleden.”

Sterren aan den variétéhemel. Zo heette het programma van Wim Sonneveld waar Louisette de hele maand oktober een engagement had. Ze begonnen in Cinema Royal op de Nieuwendijk, stonden in Rotterdam in Arena en kwamen ook een paar dagen in Nijmegen. Het valt allemaal op te maken uit haar boekhouding over 1942 vol driftige doorhalingen en tussenvoegingen (ze stond er alleen voor). Een schaduwboekhouding, als je er langer over nadenkt. Trein- en verblijfkosten, kappers waar ze haar haar om de twee dagen liet friseren en om de twee weken liet verven, fooien voor toneelpersoneel, muzikanten en kruiers, kousenreparaties, aanschaf van schmink en van vogelfluitjes, ‘tyrolhoedjes’ en andere attributen, accessoires en kostuums.

Het werk van joodse componisten was verboden. Maar haar kostenpost: ,,refrein laten schilderen (‘de Hoed’) 6 gulden”, doet vermoeden dat ze het publiek Haagmans succesnummer De Nieuwe Hoed uit de swingende jaren twintig liet meezingen.

„Schat wat een geluk dat je in je werk bent wat een geruststelling voor mij”, had Haagman haar vanuit de Hollandsche Schouwburg geschreven. Drie brieven op losse schriftvelletjes zonder datum kreeg ze van hem nadat hij was weggehaald van zijn laatste adres. Ze moest aan de gang blijven en moedig zijn, „Lieveling ik had je vandaag een telegram kunnen stuuren maar ik wil je Zaterdag en Zondag voorstelling niet storen.” Met duizend kussen en een poot voor Koma, hun chow-chow, sloot hij af.

Op vrijdag, vertrek leek aanstaande ,,aangezien de deutsche politie (groene) op het oogenblik met 20 man hier staat”, kwam hij er nogmaals op terug. ,,Jij hebt mij zoo dikwijls geschreven Hou je taai nu vooruit dan maar alles slikken. Schat denk eraan hou je goed op het tooneel laat ze niet lachen [hij onderstreepte de verwijzing naar een van hun liedjes] vertel niets slik ons verdriet samen. Wij hebben al zoo veel medegemaakt dat kan er ook nog bij ik weet wat ik voor een brave fatsoenlijke lieve vrouw heb. Ik ga dus gerust weg.” De geruchten onder de gevangenen halen zijn haastige pen in, want tegen het eind van de brief noemt hij Westerbork “en van daar ????”.

De koffers stonden gepakt op zaterdag om 2 uur. ,,Ze vertellen dat je wel brieven dagelijksch ontvangen mag maar dat je maar om de 14 dagen mag antwoorden. dit alles is niet zeker maar schrijf want je merkt gauw genoeg als de brieven terug komen dat ik weg ben adres R.W.K. Westerbork Abraham COENRAAD Haagman. Dag liefde, A.”

Ze hebben elkaar nog één keer gezien. Onduidelijk is hoe en waar. Het zou kunnen dat Louisette naar het voormalige theater op de Plantage Middenlaan is gegaan. Een stuk van de brief is afgescheurd. Haagman, weet dan al dat Westerbork de bestemming is. „Lieveling blijf steeds veel veel van mij houden jou portret voor mijn oogen zal tot mijn laatste adem blijven, en als God beware iets gebeurt, dan zullen de laatste woorden zijn dag Lieve Wiessie, maar er gebeurt niets, ik kom terug. Kop op en alles slikken, er zijn duizenden die lijden dus wij ook. Wat een mazzel dat ik je nog gezien heb. Wat zal het heerlijk zijn als wij elkander weder terug zullen zien.”

Haagman meldt dat hij het pakje heeft ontvangen met de sokken en ,,de gemaakte fluweelen klompjes”. Het klinkt als een frivoliteit, in een brief uit de Hollandsche Schouwburg, waar deportatie wachtte.

Fluwelen klompjes. Louisette moet hem een souvenir hebben gegeven dat hen beiden na aan het hart lag. De essentie van een van hun grootste successen, waarmee ze tot in het buitenland roem hadden vergaard. En lachsalvo’s, getuige de recensies. Van boerin tot ster heette de act en ook wel De Twee Hollanders. De act bestond al vóór Haagman in Louisette’s leven kwam. In een interview met de The New York Times in 1912 vertelt Louisette’s eerste partner Chrétienni (Christiaan van Esse) ter gelegenheid van hun optreden in The Winter Garden over de act en hoe hij Louisette op straat ontdekt had: ,,a poor little thing, barefooted and ragged, but she had a splendid voice”. Hij had haar tot allround variété-artieste gekneed.

Het verhaal zal zijn aangedikt, want ze stamde uit een artiestengeslacht, met voorouders als de beroemde balletmeester Andries Voitus van Hamme.

Feit is dat Armand Haagman de plaats van zijn voorganger innam. Hij nam ook de gelukkige vondst over waar Chrétienni The New York Times over vertelde: filmbeelden voor bij het nummer. In de collectie van het Filmmuseum in Amsterdam bevindt zich een film, een stomme film, die Louisette en Haagman in de meest letterlijke vorm bewegend laat zien. Ze rennen. Zij voorop, dartel en gewiekst, op weg naar het theater. Hij achter haar aan, om haar terug te halen, struikelend over toevallige of opzettelijke obstakels.

Daar gaan ze, het Volendammer paartje, van het dorp aan de Zuiderzee naar de grote stad. Hij springt achterop een trein, wordt aan een hijskraan weggetakeld, stijgt op in een watervliegtuig, laat zich zakken aan een touw van een spoorbrug en belandt in een open auto. Het baat niet. Ze rent en springt van hem weg: naar Engeland From Fishermaid to Star. En naar Duitsland Von Baurin zum Star. Niet ‘naar Duitschland’, dat in de bezetting met een bepaalde intonatie zou worden uitgesproken, maar naar Duitsland in de wervelende jaren twintig. Toen ‘Louisette und Armand’ topbilling kregen en toegejuicht werden.

De camera volgt hen als ze uit het Hauptbahnhof komen, de Keulse Dom passeren, door de Friedrichstrasse in Berlijn draven, over de zonovergoten brug in Breslau, in de stromende regen door Nürnberg, hun hollende silhouetten spiegelend in het natte plaveisel, nagegaapt door een leger omstanders onder grote paraplu’s. Spel en werkelijkheid lopen dooreen, dat is de schoonheid van deze stomme-filmbeelden.

Als stationsborden op de route melden tussenkaarten de bestemmingen. Hij zoekt naar haar: ‘Did you see my sweetheart?’, ‘Haben Sie mein Schatz gesehen?’, ‘Heb je mijn meisje gezien?’ Zij vraagt passanten naar de theaters en hij wordt telkens staande gehouden. Door een portier, door twee, drie agenten. Dan wijst hij in de lucht en gebruikt zijn afleidingsmanoeuvre om, oude beproefde truc, tussen de benen van zijn belagers door weg te kruipen.

Met de vrolijke achtervolging heeft Haagman – hij staat te boek als de regisseur – de herinnering in volle vaart vastgelegd: aan het bruisende uitgaansleven, aan de locaties die decennia nadien door de oorlogshandelingen verwoest werden, in Berlijn, Breslau, en in Rotterdam.

Voor Mille Colonnes, het befaamde Amsterdamse revuetheater annex café-restaurant op het Rembrandtplein, reageert het opgetrommelde publiek als volleerde figuranten op de slapstick van het tweetal. Een jongen achter een kar komt nietsvermoedend aansjokken, stopt pardoes voor het oploopje en met een gebaar dat zo ver verwijderd ligt van onze tijd, schuift hij zijn pet naar achteren en krabt zich het hoofd. Van binnen trekt Louisette gekke bekken naar Armand buiten en steekt haar tong uit. Hij heft de armen getergd. In een mediumshot zijn hun gezichten dicht bij elkaar, gescheiden door de grote glazen ruit waarop haar adem een wolkje blaast. Het volgende moment stuift ze weg en snelt hij weer achter haar aan.

De film, meer dan een halfuur lang, was in variabele versies geschikt voor elk theater waar ze optraden. In afwachting van de Two Hollanders, Die Zwei Holländer, De twee Hollanders, die enigszins verlaat waren, kreeg het publiek de film te zien, want dat was de gimmick. Tegen het einde van de vertoning renden ze dan de zaal in, het toneel op om, terwijl het orkest doorspeelde, de act in levenden lijve voort te zetten. Succes verzekerd.

In de collectie van het Filmmuseum behoort deze historische docu-komedie tot het materiaal dat al gedigitaliseerd is. Er hoeft alleen nog een passende selectie uit het rijke oeuvre van Armand Haagman onder gezet te worden. Zijn arrangementen liggen voor het oprapen bij het Stadsarchief in het archief dat Louisette achterliet toen ze stierf in 1965.

De theatergimmick is voorbij, maar daar rennen en springen ze nog altijd: de mooie Louisette met wapperende rokken en op haar hielen Armand Haagman onherroepelijk in de bloei van zijn leven.

Bronnen: Archief Louisette (Louisa Augusta van Geijtenbeek), Stadsarchief Amsterdam;

Van Boerin tot Ster, regie Armand Haagman 1923-1925, is te zien op nrc.nl/boerin. Met dank aan het Filmmuseum Amsterdam.