Een groot verlangen

Het nationale ongenoegen is een zeurende pijn – op een gegeven moment voel je hem overal. Het hele lichaam lijdt, alles schrijnt en schuurt, steeds worden weer nieuwe aandoeningen geconstateerd. Met ieder nieuw onderzoek, met iedere nieuwe diagnose, de een nog scherper dan de ander, neemt het gevoel van malaise toe. Ook wordt manmoedig geprobeerd de patiënt moed in te spreken: het is zo erg nog niet, veel kwalen zijn denkbeeldig, bekijk het ook eens van de zonnige kant. Het helpt niet.

In een brief aan de Tweede Kamer stelt het huidige kabinet dat Herman Tjeenk Willink, vicepresident van de Raad van State, een veel te somber beeld schetst van ons staatsbestel. Bij de presentatie van het jaarverslag, begin april, stelde Tjeenk Willink een diagnose die er niet om loog: in plaats van zich bezig te houden met de grote vraagstukken van onze tijd verliezen het kabinet en de volksvertegenwoordiging zich in triviale zaken (het boerka-verbod!). Belangrijke kwesties worden eindeloos vooruitgeschoven of uitbesteed aan de zoveelste commissie. Daardoor, stelt Tjeenk Willink, verliest de politiek haar geloofwaardigheid; de burger haakt af. In de brief aan de Kamer probeert het kabinet de boel te sussen: het was vroeger niet veel beter. En die oproep van de vicepresident tot meer ideologisch debat, is die niet een beetje overbodig? „Tonen de politieke debatten sinds het begin van de eeuw niet weer de nodige meningsverschillen en dynamiek?”

Eh, ja. Maar dat was niet wat Tjeenk Willink bedoelde. Hij had het over meningsverschillen en dynamiek die voortkomen uit doordachte opvattingen over een ideale samenleving, niet over debat en dynamiek die voortkomen uit paniek en stuurloosheid. Je kunt het antwoord van het kabinet dan ook opvatten als hét bewijs voor de tendens die Tjeenk Willink bij de presentatie van zijn jaarverslag aanwees. Wie in Nederland de dingen bij de naam probeert te noemen, krijgt tegenwoordig onmiddellijk te horen dat de dingen die naam niet verdienen – of hij wordt stante pede terugverwezen naar het verleden, toen alles ook heus niet zo geweldig was.

En zo waait er weer een discussie weg. Kritiek wordt in Nederland nooit gepareerd, maar altijd geneutraliseerd. En ieder groots ingezet debat eindigt in een burenruzie. Wat begint als een botsing der culturen loopt steevast vast in gehakketak in de binnenste kringen van de Amsterdamse grachtengordel. Alles in naam van de vorige oorlog, natuurlijk.

Juist daarin zit de kern van de klacht van Tjeenk Willink: trivialisering van belangrijke kwesties, bij gebrek aan een groot, overtuigend verhaal. Die klacht tref je nu overal aan. Zomaar een greep: het 1 mei-betoog van de voorzitter van de Jonge Socialisten, Michiel Emmelkamp, waarin hij de PvdA de wacht aanzegt: „Geen mens heeft moeite met pijnlijke besluiten als gevolg van regeringsdeelname, zolang men maar het gevoel heeft dat er de realisatie van een onderliggend ideaal tegenover staat. Het probleem is een ogenschijnlijk gebrek daaraan; steeds meer kiezers en partijgenoten vragen zich af waarvoor de PvdA het allemaal nog doet.”

Maar die klacht beperkt zich niet tot de politiek. Je vindt hem overal. De tv-criticus van de Volkskrant, Wim de Jong, beklaagt zich over de Grote Geschiedenis Quiz van afgelopen donderdag: „Een nogal bedaagd spelprogramma waarin de deelnemers bijna altijd moeten gokken op goede antwoorden. In combinatie met het hoge triviagehalte van de vragen in vooral de eerste ronde, heeft de quiz daardoor iets willekeurigs. Moeilijk om er thuis je gedachten bij te houden, want van spanning en excellerende kandidaten is geen sprake.”

Je kunt het symptomatisch noemen – aan de ene kant een groeiende belangstelling voor de Nederlandse geschiedenis, tegelijkertijd een lamlendige omgang met die belangstelling. Het belooft veel, maar het gaat nergens over. En dus haakt ook de kijker af.

Tel bovenstaande uitspraken bij elkaar op, en je komt in de buurt van de kern van de onvrede: een politiek die zichzelf grote vragen wil stellen, maar zich telkens verliest in triviale zaken, een algemene afkeer van de ideologie maar tegelijkertijd een groeiend gemis aan dragende idealen en, ten slotte, een tot niets verplichtende oppervlakkigheid in de omgang met de cultuur waarvan men juist vindt dat die gekoesterd moet worden.

Achter al die onvrede en kritiek gaat een verlangen schuil, een verlangen dat niet zo heel veel met politiek of maatschappelijk idealisme te maken heeft: het verlangen naar iets wat er werkelijk toe doet, iets wat als wezenlijk wordt ervaren.

Alle Hollandse debatten, alle verontwaardiging en hoon, alle ontzetting en woede gaan terug op dat onbeantwoorde verlangen: geef ons iets waar we weer in kunnen geloven. De populistische politiek exploiteert dat onmachtige verlangen even behendig als schaamteloos: wij geloven heus wel in onszelf, wij willen heus in Nederland geloven, het zijn de anderen die ons dat geloof niet gunnen en het ons willen afnemen. Het is een onverkwikkelijke leugen. Het politieke midden weet niet wat het daar mee aan moet: het kan niet meer om de onvrede heen, maar betekent dat ook dat je de verblinde en kwaadaardige uitingen van die onvrede moet goedpraten? Want ook het populisme verliest zich in trivia, mist uiteindelijk dragende overtuigingen. Ressentiment is geen ideaal.

Het kabinet heeft gelijk wanneer het als antwoord op de noodkreet vanTjeenk Willink schrijft dat het de Nederlandse politiek de afgelopen eeuw regelmatig aan bevlogenheid ontbrak. Maar dat kwam omdat er helemaal geen behoefte aan bevlogenheid was, men was over het algemeen dik tevreden met zichzelf en zijn overtuigingen. Lange tijd dacht men in Nederland dat men met gemak de wereld aankon.

Die overtuiging wordt nu van alle kanten genadeloos gerelativeerd. De wereld is ineens wel erg groot en onoverzichtelijk geworden. En Nederland – kijk maar om je heen – is Nederland niet meer. Vandaar de behoefte aan nieuwe overtuigingen en de nostalgie naar oude idealen. Zo gezien is het betoog van Tjeenk Willink eerder een symptoom van de malaise, dan een uitweg. We verlangen naar idealen, maar wantrouwen de ideologie. We zoeken diepgaande betrokkenheid, maar zijn verslaafd aan vluchtigheid. Wanneer je die gespletenheid niet onder ogen ziet, is iedere uitweg ondenkbaar.