Dickie

In Nederland is hij nooit echt serieus genomen. Niet als epigoon van Rinus Michels, niet als bondscoach, niet als clubtrainer. Dick Advocaat werd altijd weer gekruisigd in clichés: te zuinig, te conservatief, ook nog humorloos en contactarm.

Bouwvakker onder godenzonen.

Dick speelt straks met FC Zenit wel de finale van de UEFA Cup. Dan ben je niet de Harm Ottenbros van Europa, en ook niet de fanfare van honger en dorst.

Eerder dit jaar was hij in Sint Petersburg al kampioen van Rusland geworden. Met een provincieclub dus. FC Zenit is nu zelfs hofleverancier van het nationale team van Guus Hiddink.

Het was altijd mooi om naar Dick Advocaat te kijken. Of het nou bij PSV, bij Glasgow Rangers, bij FC Zenit of Oranje was, deze coach bleef zijn eigen spetterend vuurwerk. Schuimbekkend in woord en gebaar, negentig minuten lang. Als hij op twee vingers stond te fluiten – een keer of dertig tijdens de wedstrijd – wist je al helemaal dat het oorlog was.

Bezieling heette dat vroeger.

Advocaat deed het met het Nederlands elftal in Portugal beter dan Marco van Basten in Duitsland, en toch was er geen genade voor de kleine generaal.

Voor Marco daarentegen bleef de zomer van erbarmen duren. Terwijl de huidige bondscoach niet eens de suggestie had gewekt dat hij het een eer vond Oranje te mogen dienen.

Van Basten is in bezieling nooit verder gekomen dan het fronsen van de wenkbrauwen. Ik herinner mij niet één arm, niet één been, waarbij je dacht: ha, de bondscoach is uit zijn lichaam getreden.

Een vinger die een uitstapje maakt uit het stilleven van intieme verstandhouding met assistent John van ’t Schip? Nooit gezien. Ook niet in het heetst van de strijd, niet eens na een doelpunt.

Een stijlverschil?

Ik dacht het niet. Van Basten doet zijn ding, met bestudeerde nonchalance; Advocaat belééft de wedstrijd en de hele wereld eromheen. Dick kruipt in bal en man en, als het moet, ook nog in de scheidsrechter.

Hij is meer Nederlander dan zijn opvolger: hard praten, rumoer, kabaal voor het minste geringste. De tegenstander afbranden, als hoogste genot. Altijd druipend van de VOC-mentaliteit. Strelen is voor thuis.

Lekker ouderwets.

Dan zijn de media gauw klaar. Rinus Michels zou het wellicht vandaag ook niet meer gered hebben. Geen talent voor cabaret, namelijk.

De tabloidisering van de voetballerij vraagt om smeuïge verhalen met af en toe een goed geplaatste oneliner. Een kortaffe knorpot kan het schudden. Daar komt Gertjan Verbeek ook nog achter.

Coaches moeten hun prioriteiten kennen: eerst het pershok, dan het trainingsveld.

Een gezellige conversatie is niet de sterkste kant van Dick Advocaat. Dan ben je beter af in Glasgow, waar het altijd regent, en in Sint Petersburg, waar woorden in de mond bevriezen, dan in Eindhoven, waar de een de ander onder tafel lult in eindeloos gehinnik.

Marco van Basten is ook geen flitsende verteller, maar hij kan zijn langdradigheid goed naspelen. Zowaar met een enkel bon mot als grimas.

Dick Advocaat kan niets naspelen, zelfs niet het verlangen om gelukkig te zijn. Vandaar het latente misprijzen van de media voor deze kampioenenmaker. De haarinplanting ten spijt, Dick is altijd te weinig coiffure van eigen werk geweest.

De vakman vlamt niet naar de thrill van de media.

Bert van Marwijk is minder lijflustig dan Dick Advocaat, maar hij is van dezelfde bloedgroep. Praatjes zijn voor thuis. Voor cabaret is hij te nuchter, voor schuine grapjes te fatsoenlijk. Vraag Bert niet een krant te vullen.

Het aardige aan Van Marwijk en Advocaat is dat zij nog coaches zijn met minimale lijntjes naar de media. Geen netwerkplebs. Dat is ook hun zwakte.

Van Basten kon zich deze leegte nog enigszins permitteren omdat hij als voetballer vrij recent vergoddelijkt is. Hij kan spreken met de ontleende autoriteit van zijn verleden. Het verleden van Advocaat en Van Marwijk ligt bij respectievelijk Berchem Sport en FC Assent. Twee Belgische (eerstedivisie)clubs die niet eens meer bestaan. Zij hebben San Siro nooit aan de kont gehad.

Ik gun Dick Advocaat van harte de UEFA Cup. De goede man leeft al twee jaar in een hotelkamertje, in een grote stad. Doofstom bijna. Op zijn assistent na is er niemand om over het weer te praten, of over ADO en Koninginnedag.

Taalprobleempje.

Dan heb je wel een beker verdiend.