Cirkelende condors

Wanneer je als toerist met de bus spectaculaire plaatsen bezoekt, moet je goed uitkijken. Voor je het weet is de bus al vertrokken. En hoe kom je dan nog naar je hotel.

Op de Plaza Mayor in Arequipa, de witte stad aan de voet van de Peruaanse Andes, staat een touringcar met toeristen op het punt te vertrekken voor een trip naar de Colca Canyon, waar je condors kunt zien. Voor we instappen, wil ik op straat nog snel wat dollars wisselen. Terwijl ik met het geld in mijn handen sta, springt iemand boven op mijn nek. Ik krimp in elkaar.

Gerarda herkent de overvaller. Het is Okura, een alleenreizende Japanse jongeman die we eerder hebben ontmoet en die ons op zijn manier begroet. We zijn zo opgelucht, dat we vragen of hij meegaat. Dat wil hij wel.

Of Okura zich nu afzet tegen het groepsgedrag van zijn landgenoten of dat hij van nature dwarsligt, Joost mag het weten, maar hij slaat de waarschuwing van de reisleiding dat de inwoners van het dorp waar we een sanitaire stop maken niet op de foto willen, in de wind. In een regen van stenen rennen we terug naar de bus die al optrekt. Het scheelde een haar of ze hadden ons achtergelaten.

We doorkruisen de Altiplano, de dorre hoogvlakte. De achterneefjes van de lama’s, de vicuñas, die hier in het wild leven hebben de zachtste vacht van alle zoogdieren. De Colca Canyon is op sommige plaatsen twee keer zo diep als de Grand Canyon en de machtige condors overvleugelen met hun spanwijdte van drie meter alle andere roofvogels.

Aan de rand van de afgrond, met in de peilloze diepte de kolkende Colca, staan we met de camera in de aanslag te wachten.

Al een paar keer is aangekondigd dat de bus gaat vertrekken als we horen roepen: „El condor pasa!” Er cirkelen vijf condors boven ons. We kunnen ons geluk niet op – tot we ontdekken dat we Okura kwijt zijn. We voelen ons verantwoordelijk voor onze Japanse vriend en gaan hem zoeken.

Okura is weg en de bus ook.

Op de parkeerplaats staat een man bij een bont beschilderd minibusje. We willen weten wat het kost naar Arequipa. Hij noemt een astronomisch bedrag. Ik zeg dat we zijn busje niet willen kopen, maar naar Arequipa willen.

Señor chófer eist een voorschot. Na een half uur stopt hij bij een tankstation, waar hij het op een zuipen zet. We protesteren luidkeels. „Het is een slaapmutsje”, stelt hij ons gerust. Hij wil twee uurtjes onder zeil. We protesteren nog luider. „Muy bien”, zegt hij, „drie uur.”

We zouden kunnen gaan liften, maar er is geen auto te bekennen. Vanuit het niets duikt een Mercedes-Benz op. We mogen mee.

De bestuurder, die zich voorstelt als Juan en psychiater is in Arequipa, zegt dat hij zomaar wat rondtoert. Juan is zo aardig ons onderweg bijzonderheden over de streek te vertellen.

We merken dat hij er niet met zijn hoofd bij is. Onverwacht barst hij in tranen uit. Zijn vrouw heeft hem verlaten. Hij is totaal ontredderd. Ik neem het stuur van hem over. Juan zit naast Gerarda op de achterbank. In het spiegeltje zie ik hoe hij haar handen probeert te kussen. Ze weert hem af: „Rustig maar, Juan.”

„Don Juan zal je bedoelen”, mompel ik.

Aangekomen op de Plaza Mayor is Juan voldoende gekalmeerd om zelf naar huis te rijden.

Daar staat de bus! En daar loopt Okura! Ik wil hem op zijn nek springen. Gerarda houdt me tegen.