Bergsport

In Basel begint op 7 juni het Europees kampioenschap voetbal, dat door Zwitserland en Oostenrijk wordt georganiseerd. Hans van der Meer fotografeert en beschrijft het amateurvoetbal in beide landen. ‘Voetballen op een alpenwei, zo moet het spel ooit begonnen zijn.’

Waar voetballen Zwitsers en Oostenrijkers? Het veld in het Zwitserse Erstfeld ligt op een vlakke strook, ingeklemd tussen bergen. Verderop ligt de Gotthard met zijn tunnel. Alles moet door de smalle vallei: het water dat van de bergen komt, de snelweg richting Italië, de elektriciteitsleidingen, de treinen. Reservespelers rapen afzwaaiers van het spoor, waar een minuut geleden de Köln Hbf-Roma-express voorbij raasde.

Het is de eerste wedstrijd na de winterstop. Een paar dagen zon was genoeg om de laatste sneeuw te doen verdwijnen, het duel gaat door. Als pinken die de hele winter op stal hebben gestaan hollen de spelers over het veld. Coördinatie is ver te zoeken, ze raken vaker elkaar dan de bal.Wanneer twee mannen achter een bal aan rennen, is er altijd een te laat. De ander lanceert zichzelf door zijn eigen snelheid over het uitgestoken been. Sommigen zeilen daarbij meters door de lucht.

Ik moet denken aan een zin die ik tegenkwam bij Huizinga in zijn Homo Ludens: ‘Men heeft oorsprong en grondslag van het spel gemeend te kunnen omschrijven als het zich ontlasten van een overschot aan levenskracht.’ Dat is helemaal van toepassing hier. Het voetbal op deze alpenweide lijkt op wat ik in Engeland vaak ben tegengekomen in de lower leagues. Alsof lekker rennen in de buitenlucht is waar het om gaat. Die spelopvatting heeft iets moois. Dat doe je voor jezelf, je hebt er geen toeschouwers bij nodig.

Paard

Zo moet voetbal ooit begonnen zijn. Een stuk land met tweeëntwintig spelers, hooguit een paard in het weiland ernaast dat toekeek. Huizinga somt een paar oorzaken op die ertoe bijgedragen hebben dat allerlei spelvormen in de negentiende eeuw juist in Engeland tot ontwikkeling kwamen. Behalve de bijzondere geaardheid van de Engelsman, noemt hij ‘de bodemgesteldheid en het landschap, dat in gemeenteweiden, de commons, de fraaiste speelplaatsen bood’.

Dat beeld vind je nog terug bij het lagere amateurvoetbal op de Britse eilanden, waar op playing fields gespeeld wordt. Geen voetbalvelden met afrastering zoals bij ons, maar speelweiden waar de lijnen van voetbalvelden op worden uitgezet. Ze gaan op een natuurlijke manier over in het landschap.

Spelers komen bij elkaar in een pub, rijden omgekleed naar het terrein, betalen tien pond en krijgen een veld toegewezen, hangen de netten op, zetten de cornervlaggen in de grond en trappen af. In Yorkshire zag ik spelers eerst het doel nog in elkaar schroeven. Dat zie ik de Nederlandse contributiebetalers niet zo gauw doen.

In 1996 stond ik in de kantine van Oosterend, Friesland, een kop koffie te drinken met de voorzitter. Op zoek naar authentieke plekken voor mijn boek Hollandse velden had ik er eindelijk een gevonden.Achter de kerk, een houten kantine ernaast, een rij populieren eromheen. Zegt die voorzitter tegen mij: ‘Je moet volgend jaar terugkomen, dan zitten we op een nieuw sportcomplex aan de andere kant van het dorp.’

Ik kon het niet laten het enthousiasme van de voorzitter op de proef te stellen. Goh, hoe lang speelt u hier al? Tachtig jaar? Heeft uw vader hier misschien nog gevoetbald? Ik zag dat zijn ogen afdwaalden naar vroeger. Je hoeft bij voetballers maar op een paar knopjes te drukken om het verleden in herinnering te brengen. Meteen beginnen ze te verhalen over legendarische wedstrijden met onwaarschijnlijke doelpunten, omkleden in varkenshokken en heroïsche kampioenschappen. Plekken krijgen geschiedenis. Die geschiedenis laat zich niet zo makkelijk meeverhuizen naar de andere kant van het dorp.

Waar je ook bent in Europa, bij voetbalvelden herken je oorspronkelijkheid op grote afstand: het soort gebouwtjes waarin kleedkamers zijn ondergebracht, de ballenvangers achter het doel, het zelfgebouwde tribunetje, het soort bomen om het veld. Op zo’n plek is door enthousiaste mensen die zin hadden om te voetballen iets ontstaan. Het omgekeerde herken je ook meteen. Dat is het gemeentelijke sportpark, een door regelgeving bepaalde plek die niets eigens heeft.

Op een dag gingen er wat mensen langs de lijn staan kijken. Daarmee veranderde er iets wezenlijks. Door publiek werd voetbal ook theater. Er verschenen tribunes om het veld, de ‘andere wereld’ buiten de lijnen raakte langzaam uit beeld. Er werden legendarische wedstrijden gespeeld waar je bij moest zijn geweest. De verhalen daarover namen vanzelf mythische vormen aan, de sport sprak steeds meer tot de verbeelding. Voetballen in een stadion werd een jongensdroom.

Op een bijveld met uitzicht op een lege polder is die droom onbereikbaar ver weg. Als je op jonge leeftijd niet bent weggeplukt uit die omgeving kun je het wel vergeten. Je blijft er tegen beter weten in nog een tijd in geloven. Maar op een dag besef je dat je nooit in een stadion zult spelen. Gelukkig hebben wij onze verbeeldingskracht. Als we scoren horen we niet het ruisen van de wind door de populieren, maar het gejuich van een vol stadion.

Baumarkt

In het Oostenrijkse Tragöss sta ik langs het veld op de aluminium trap die ik de dag ervoor bij de Baumarkt heb gekocht.Het licht is mooi, het lijkt wel of je de bergen achter het veld aan kunt raken.

Ik laat het spel in en uit mijn beeld gaan, waarna de keeper telkens alleen achter blijft. Dat heeft altijd iets ontroerends, je begrijpt waarom een doelman in het Duits Torwächter genoemd wordt. Het leger is ten aanval getrokken, maar één soldaat mag niet mee. Die moet achterblijven en staat op de uitkijk om de poort te bewaken.

Er is bij iedere wedstrijd wel een speler van wie ik mijn ogen niet af kan houden. Zo’n volkomen oorspronkelijk figuur, die je nou niet onmiddellijk op een voetbalveld verwacht.Vaak zijn het helemaal geen slechte spelers, integendeel. Er loopt er hier ook een tussen, hij heeft een paar schitterende bewegingen in huis.

In het Zwitserse gehucht A Banco speelt FC Vezio.Achter het verroeste doel staat een houten clubgebouwtje. Van de twee dames die kantinedienst hebben zit er een met een geldkistje op schoot, de ander staat voor het open raam, dat als verkooppunt fungeert. Binnen ontwaar ik overal vaantjes, bekers en foto’s aan muur en plafond, er brandt een gezellig houtvuur. Hier aan de zuidkant van de Gotthard doet het landschap meteen Italiaans aan. Het voetbal ook. Er komt een hoop theater bij kijken.

Het spel gaat altijd nog even door wanneer een speler geblesseerd is geraakt. Hij weet dat iedereen zich zo meteen omdraait en naar hem zal kijken. Meestal is er niets ernstigs. Als het slachtoffer ligt te kronkelen, weet je zeker dat er niets aan de hand is. Iemand die echt iets mankeert houdt zich wel gedeisd. Op straat zou je al lang éénéén- twee hebben gebeld. De Fransen roepen heel treffend Cinéma als iemand zich aanstelt of zich theatraal laat vallen. Vroeger hadden wij in cowboyfilms gezien hoe je dood neer moest vallen als je door een pijl getroffen werd.Tegenwoordig zijn het voetballers die televisiekijkers voordoen hoe je geblesseerd ter aarde moet storten.

Ook dat herinnert aan een zinsnede uit Homo Ludens: ‘Volgens anderen gehoorzaamt het levende wezen al spelende aan een aangeboren zucht tot nabootsing.’ Dat kun je bij voetbal wel zeggen ja, je ziet het overal terug. De gebaartjes, het juichen, de rituelen zoals het veld oplopen en zwaaien naar het publiek, de laatste ontwikkeling op het gebied van kleding, schoenen en haardracht.

Bij de voetbalclub in het Zwitserse dorpje Dietwil zie ik iets wat ik zelfs in de kleedkamer van Real Madrid niet ben tegengekomen. In een gang naar het kleedlokaal hangen tien spiegels aan de muur. Daaronder een formica plank met in keurig uitgezaagde ronde gaten tien föhns, onder iedere spiegel een.

Voetbal maakt deel uit van onze cultuur en voetbalvelden maken deel uit van ons landschap. Om dat zichtbaar te maken ben ik altijd op zoek geweest naar terreinen die ook een blik boden op die wereld buiten de lijnen. Het aangename van een wereld op de achtergrond is de toevalligheid waarmee het in beeld komt. De fotograaf kwam voor het voetbal, de achtergrond krijg je er gratis bij. Een foto met de zee als onderwerp, al is hij nog zo mooi, geeft die zee iets onechts. Maar een zee die achter een voetbalveld opduikt, dat moet wel de echte zee zijn.

Heeft een zee nog iets lucides, concretere materie dan een berg bestaat er niet. Het is een ontzagwekkende hoeveelheid steen, maar ook een berg tijd. Daar wordt een mens toch altijd wat kleiner door.

Dat kan bij voetbal helemaal geen kwaad. Rond het profvoetbal hangt een cultuur van uitvergroting en persoonsverheerlijking, de voetbalfotografie is daar zelfs letterlijk een voorbeeld van. Die zoomt zover in, dat je van het spelmoment niets meer begrijpt. Maar daar gaat het ook allang niet meer om, het draait om geld. Een bekende voetballer op de cover is goed voor de losse verkoop. Voetbal is een industrie geworden die beelden genereert voor media. Dat inzoomen symboliseert in mijn ogen de overdreven aandacht voor voetbal. Wat wordt weggelaten, is een context die het op zijn plaats weet te houden. Een ster kan alleen maar een ster zijn omdat er een heelal om hem heen zit.

Spelcomputer

Wat zou Huizinga over de moderne tijd opmerken, over de homo ludens met zijn spelcomputer bijvoorbeeld? Of over het overaanbod van voetbal als televisiesport. Net als je je afvraagt waar het heengaat met de sport, is er een nieuwe ontwikkeling waarbij de mens weer naar buiten trekt. Steeds vaker zie je de laatste jaren dat fans tijdens de grote toernooien zich massaal verzamelen op pleinen in de openbare ruimte, waar grote beeldschermen staan opgesteld. Een miljoen mensen op een plein in Seoul tijdens het wereldkampioenschap in Zuid- Korea, honderdduizenden in Berlijn en aan de oever van de Main in Frankfurt tijdens het laatste WK in Duitsland. Wellicht gebeurt dat volgende maand ook in het Weense Prater.

Wie weet waar die ontwikkeling eindigt. Ik zie enorme beeldschermen voor me in glooiende Alpenweiden. Grote groepen Europeanen liggen vredelievend bijeen in het gras naar voetbal te kijken. Kinderen plukken bosjes edelweiss en in de verte klinkt het geluid van koebellen. De homo ludens is met zijn voetbal teruggekeerd naar het landschap.

Een overzicht van de Europese voetbalvelden van Hans van der Meer is te zien op www.hansvandermeer.nl