Zwarte man, waarom zou je sterven voor de blanken?

Biyi Bandele: Burma Boy. Uit het Engels vertaald door Paul van der Lecq. De Bezige Bij, 223 blz. € 17,90

Wie denkt nu wel alles over WO II te weten, die vergeet één uithoek van het strijdtoneel: de jungle van Birma. Dat daar tussen Japanse en Britse legers een genadeloze strijd is geleverd, vind je al evenmin in schoolboekjes terug als het feit dat veel Britse soldaten uit Afrika kwamen. Ali Banana in de roman Burma Boy is zo’n zwarte strijder. Hij is veertien als hij naar Birma gaat. Vrijwillig, om in de buurt van zijn oude vrienden te blijven. De smidsleerling uit een Nigeriaans dorpje komt terecht bij de Chindits, die tot diep achter de Japanse linies doordringen. De bijna onder het gewicht van zijn bepakking bezwijkende nieuweling moet meteen een lange mars door de bergen maken. Het is winter 1944.

Langs duizelingwekkende afgronden gaat de mars, door een hallucinerende natuur die vergeven is van de vuurvliegjes. Ali staat doodsangsten uit, hij denkt dat de vuurvliegjes rondvliegende granaten zijn. Maar hij klaagt niet want hij is er trots op dat hij voor Kingi Joji mag vechten, voor King George, zoals hij in de wat tamme Nederlandse vertaling heet.

Biyi Bandele, de schrijver van Burma Boy, hoorde de verhalen over de Chindits van zijn vader, een van de half miljoen West-Afrikanen in de strijd. Daarnaast deed Bandele uitgebreid archiefonderzoek. De vierde roman van deze in Londen wonende Nigeriaan is een mix van feiten en fictie, zoals het ook een mix is van explosieve actie en Afrikaanse anekdotes.

Ali Banana is dol op vertellen. Op de vreemdste momenten slaat hij aan het fabuleren, waarbij hij legenden en herinneringen bizarre wendingen geeft. De oorlog zelf is immers óók bizar. Terwijl de verkoolde lijken van gedode Japanners scheef in hun voertuigen hangen, ontdekken de Afrikaanse soldaten elkaar. In dat opzicht volgt Bandele het patroon van traditionele oorlogsromans: hij gelooft nog in kameraadschap. Waarbij hij de toch meedogenloos vechtende Chindits afschildert als zachtaardige jongens die de onderlinge verschillen in taal en religie (van Hausa tot en met Yoruba, van islam tot en met animisme) in de loopgraven moeiteloos overwinnen.

Anders dan Uzodinma Iweala’s eveneens recente roman Beasts of No Nation, over kindsoldaten, is Burma Boy geen anti-oorlogsboek. Daarvoor roemt Bandele net iets te vaak de heldhaftigheid, de inventiviteit en de opofferingsgezindheid van de Afrikanen. Maar er verandert wel iets in het binnenste van Ali Banana. Van een clownesk karakter dat ondanks zijn angst blijmoedig doodt, ontwikkelt hij zich tot een peinzende, volledig ontwapende man. Een man die zinnen uitkraamt waar de anderen niets van begrijpen. Is hij gek geworden? Heeft hij het licht gezien? Simuleert hij verwarring in de hoop op een snel ontslag?

Het begint met een stem uit het oerwoud. Een citaat: ‘,,Zwarte man!’’ riep de stem. ,,De blanken zijn je vrienden niet. De blanken zijn je onderdrukkers. Waarom zou je voor ze sterven? Ga toch bij ze weg. Laat ze hun eigen oorlog vechten.’’ ’ Als dan ook nog midden in dat oerwoud sergeant Damisa sterft, Ali’s voorbeeld, knapt er iets in de jonge soldaat. Ongewapend keert hij naar de vesting terug.

Niet de oorlog maakt de meeste indruk op de lezer van Burma Boy maar de hoofdpersoon, de malle, wijze, fantasierijke Ali Banana.