Zomaar opgroeien in een kamp

Op vele manieren schilderden overlevenden van de shoah de hel. De Amerikaanse jurist Thomas Buergenthal is niet door Auschwitz getraumatiseerd.

Thomas Buergenthal: Een gelukskind. Van Auschwitz tot het Hooggerechtshof. Vertaald door Rob van Moppes. Mynx, 222 blz. € 17,95

Binnenkort zullen de laatste ooggetuigen met persoonlijke herinneringen aan de shoah niet langer onder ons zijn. Dit maakt ook een historische terugblik mogelijk op een literair genre, dat begon met Is dit een mens? van Primo Levi (1947, zie inzet). In taal die was uitgekleed tot op het bot, schreef hij over Auschwitz-Monowitz, de rubberfabriek. Zijn boek vormde ook de eerste poging tot universalisering van de betekenis van het joodse slachtofferschap. Elie Wiesel, die als jongen van vijftien in 1944 Auschwitz binnenkwam en in hetzelfde Block sliep als Levi, beoogde dit ook.

Levi en Wiesel zijn hierin geslaagd, doordat onder hun invloed de naoorlogse generaties de shoah zijn gaan herinterpreteren. De slachtoffers waren niet langer joden, maar slachtoffers van genocide met een bepaalde identiteit, die op grond van hun identiteit werden omgebracht. En wie heeft er vandaag de dag niet meerdere identiteiten? Als ontkerkelijkte Europeanen cultiveren wij onze identiteiten, soms op het narcistische af, en dan is het begrijpelijk dat we gefascineerd zijn geraakt door die situaties waarin identiteit geen zegen was maar een vloek.

Uitgevers publiceerden de manuscripten van de schrijvende autodidacten in twee golven, kort na de bevrijding en vanaf het midden van de jaren tachtig tot vandaag de dag. De overlevenden zijn intussen zeer taai gebleken. De jongere, fysiek gezonde en mentaal ijzersterken wier werk van nut was geoordeeld, konden overleven. Of hun lotgevallen representatief waren, heeft juist Levi willen betwisten. In zijn laatste boek, De Verdronkenen en de Geredden (1986), meende hij in een terugblik op het eigen werk en dat van anderen dat niet hij maar de verdronken meerderheid de ware getuige was geweest. Nobelprijswinnaar Imre Kertész, een van de beste auteurs van fictie over de Holocaust, en bij aankomst in Auschwitz veertien jaar oud, heeft met Onbepaald door het lot (1975) dit standpunt aangescherpt. In een interview zei hij onlangs dat Steven Spielberg, die vijftigduizend overlevenden liet interviewen, de hele waarheid had kunnen documenteren wanneer hij ook de doden voor de camera had kunnen halen.

Dit waren antwoorden van sombere literatoren op een belangeloze vraag. Het doet er niet zo veel toe of de ooggetuigen representatief zijn. Het gaat in dit genre evenmin om esthetische kwaliteit, maar primair om authenticiteit en daarnaast om zo veel accuratesse als mogelijk. Vaak aangehaalde passages als die over de ‘grijze zone’ van de Kapo’s en andere bevoorrechte gevangenen met een functie ontleende Levi nauwelijks aan eigen waarneming. Hij maakte er ook geen geheim van voor zijn laatste boek uit de historische vakliteratuur te hebben geput. Niemand vond dit een probleem. Ten onrechte, denk ik.

Duisternis

Memoires van kinderen die in de dodelijkste kampen zijn geweest, zijn schaars. Zij behoorden tot de eersten die stierven. Het mooiste boek is Kinderjaren van de Nederlandse natuurkundige Jona Oberski (1938), die zijn herinneringen aan Bergen-Belsen terecht ‘een novelle’ noemde, waarschijnlijk omdat hij episodes beschrijft waarvan hij betwijfelt of hij ze zich precies herinnert.

In zijn caleidoscopische Over Kampliteratuur (2006) had Jacq. Vogelaar vooral oog voor de receptiegeschiedenis en minder voor de conventies van het genre. Maar die zijn er wel degelijk. De literatuurwetenschapper Sem Dresden constateerde In Vervolging, Vernietiging, Literatuur (1991) dat de volwassenen die terugblikten op hun jeugd kort voor de bezetting, dat ‘op bijna dezelfde wijze’ deden, te weten met een idyllische schets. ‘Het is volkomen begrijpelijk, misschien niet volledige werkelijkheid, en zeker een literair hulpmiddel.’

Terwijl hij over het werk van Elie Wiesel schreef, maar de conventies van het genre op het oog had, voegde de historicus Raul Hilberg hier in zijn Sources of Holocaust Research (2001) aan toe dat herinneringen als deze vaak uit drie delen bestaan. Op de probleemloze jeugd volgt de catastrofale duisternis van het kamp, veelal in drie fasen: de brute schok van de sadistische initiatie, de aanpassing aan de realiteit en de redding dankzij stad- of landgenoten. Uit beduchtheid voor het ongerijmde verwijt van collaboratie, dat immers vrijwilligheid en opzet veronderstelt, beschreven de overlevenden zichzelf niet als Funktionshäftlinge, die meer van het kamp konden begrijpen dan de hulpeloze en ongeïnformeerde massa van de gevangenen. Ook als zij dat wel degelijk waren geweest, is het collectieve zelfportret dat van de geredde drenkeling. Het derde en meestal laatste deel bestaat vaak uit een beschrijving van de eenzame terugkeer in een min of meer antisemitische omgeving. Het eventuele vierde deel: het levend houden van de herinnering aan de dood van de anderen, al dan niet in relatie tot de eigen vuile handen, is voorbehouden aan de befaamdste auteurs als Levi en Kertész.

Tot de laatst verschenen herinneringen van een overlevende behoren de memoires van Thomas Buergenthal. Hij is een befaamde jurist en de Amerikaanse rechter in het Internationale Gerechtshof in Den Haag. Hij schreef een even schitterend als onconventioneel boek met veel understatement en een uitgesproken voorliefde voor de stoïcijnse protagonist. Die held is zijn vader, die zich ijzig kalm staat te scheren op de ochtend dat het getto waarin zijn gezin is opgesloten wordt ontruimd.

Buergenthal werd in 1934 geboren in Lubochna, in Slowakije, en was in het getto van Kielce, in Auschwitz en in Sachsenhausen. Hij heeft zijn geheugen niet opgepoetst. Hij heeft nooit iets over de shoah willen lezen. Buergenthal verhaalt niet over een idyllische jeugd. Hij geeft toe dat hij zijn eerste zeven jaren weergeeft zoals zijn ouders hem die hebben verteld. Zelf weet hij er namelijk niets meer van. Eenmaal binnen de poorten gold voor hem dat ‘data en tijd’ geen betekenis hadden.

Ook in zijn schets van Auschwitz wijkt Buergenthal af. Van een selectie bij binnenkomst, begin augustus 1944, herinnert hij zich niets. Hij is ervan overtuigd dat deze niet heeft plaatsgevonden, en dat het daaraan te danken is dat hij als jongetje van tien daar naar binnen mocht, vier, vijf jaar jonger dus dan Kertész en Wiesel.

Zigeunerlager

Vader en zoon Buergenthal werden ondergebracht in de lege barakken van het Zigeunerlager, dat kort tevoren was ontruimd. Zijn vader bezorgde hem een baantje, als boodschappenjongen van de Kapo van de Sauna, het badhuis waar de nieuw aangekomen gevangenen door werden gevoerd en waar hun kleren werden gedesinfecteerd. Het moet een goedmoedige Kapo zijn geweest, want hij misbruikte of corrumpeerde Thomas niet. Buergenthal ging evenmin onder een eenzame terugkeer gebukt. Hij werd de mascotte van een Poolse divisie. Zijn nieuwe vrienden gaven hem een korporaalsuniform en een damespistool, zodat hij mee kon helpen bij de bevrijding van Berlijn. Zij bevrijdden voor hem een circuspony, waar hij erg blij mee was.

Zijn moeder vond hij terug. En ook dat vond hij gewoon, want hij was te jong om rekening te houden met de mogelijkheid dat ze was omgebracht.

Getraumatiseerd is Buergenthal in het geheel niet, en in dit opzicht komt hij overeen met andere prepubers die opgroeiden tijdens de shoah en dachten dat dit gewoon was. De wat oudere Kertész verloor langzamerhand zijn kinderlijke vertrouwen in zijn omgeving, Buergenthal verloor het nooit. Zijn identiteit is in geen enkel opzicht ontleend aan zijn slachtofferschap. Buergental ziet zichzelf als een Amerikaanse jurist met mensenrechten als specialisme en als niemand anders. En toch schept dit nergens een afstand tussen Buergenthal en de lezer, want identiteit betekent voor hem precies hetzelfde als voor ons. Het is een manier om onszelf te afficheren.

Wij gaan prat op onze identiteiten, zij zijn ons handelsmerk, en we weten dat we ook voor een ander handelsmerk hadden kunnen kiezen. Maar het gevoel van veiligheid dat we hieraan zouden kunnen ontlenen, is een illusie, want bij vervolging is het niet het potentiële slachtoffer, maar de aanstaande dader die de slachtoffergroep markeert en zo de identiteit van de slachtoffers definieert.