Wij worden bewogen door de meem ‘reg’

Ligt u wakker van de memen? Ik ook niet, maar ik denk wel eens aan ze en vraag me dan af: leven ze nog of zijn ze alweer een zachte dood gestorven? Dat is namelijk het risico dat memen lopen, als we hun bedenker, de Britse zoöloog Richard Dawkins, mogen geloven.

In zijn veelgelezen boek The selfish gene (1976) introduceerde hij de meem (een afkorting van het Griekse woord voor imitatie) als het culturele equivalent van het gen. Zoals de biologische evolutie wordt bepaald door de concurrentie en natuurlijke selectie van genen, die alle erop uit zijn om zichzelf te vermenigvuldigen (vandaar hun ‘zelfzuchtigheid’), zo zou de culturele evolutie worden bepaald door het soortgelijke gedrag van memen.

Op deze manier moest het Darwinisme een ‘universele’ theorie worden, die in ambitie en pretentie het marxisme en het freudianisme naar de kroon steekt, ja overtreft, omdat het de kloof tussen natuur en cultuur overbrugt. Ik heb een zwak voor zulke alomvattende theorieën. Ze getuigen van een energie en een doortastendheid, die mijn bewondering afdwingen. Op afstand geniet ik van het eureka van de bedenker, het sublieme moment van inzicht waarop de oplossing van het wereldraadsel zich plotseling lijkt aan te dienen. Adembenemend.

De memen-theorie zoekt voor het succes van culturele verschijnselen een verklaring zonder daarbij alles aan menselijke wil en opzet toe te schrijven. Dat laatste is ook niet meer mogelijk na de vele slagen die onze eigendunk van de wetenschap heeft ontvangen; aan hartgrondig wantrouwen valt niet te ontkomen. Dawkins stelt wat dit betreft niet te teleur. Want hoewel ons imiterend vermogen en ons taalgebruik onmisbaar zijn, worden wij zelf gereduceerd tot niet veel meer dan ‘gastheren’ of ‘vehikels’ voor de zich vermenigvuldigende memen, die als ‘parasieten’ ons brein binnendringen.

Dat wil niet zeggen dat ze ons kwaad willen doen, ze willen überhaupt niet zo veel, behalve zichzelf kopiëren. Memen kunnen de meest uiteenlopende gedaanten aannemen. Dawkins geeft als voorbeelden: een bepaald liedje of deuntje dat in het geheugen blijft haken, een populair idee, een slagzin, de kledingmode, het recept om potten te bakken of spitsbogen te bouwen. Maar ook de religie of de politiek kunnen met een memetische blik worden bezien, en dan is God een meem, net zoals de democratie. Dat er een God bestaat of dat democratie wenselijk is, hebben we niet zelf verzonnen: de memen ‘God’ en ‘democratie’ hebben zich met succes in onze breinen weten te nestelen.

Waarom? Niet omdat de winnende memen onze biologische overlevingskans bevorderen – of die van ons genetisch materiaal. Binnen het memen-complex ‘religie’ doet ook de meem ‘celibaat’ het al eeuwen heel goed, en dat kan toch niet bevorderlijk zijn voor de replicatie van de priesterlijke genen. Memen hebben een eigen agenda, die niet met die van de genen hoeft te concorderen; slechts hun evolutionaire werking is aan die van de genen analoog.

Er blijft alleen één grote vraag: wat zijn memen precies? Dawkins’ voorbeelden zijn te divers voor een eenduidig antwoord en dat verzwakt de overtuigingskracht van zijn theorie: als een meem zoveel verschillende dingen kan zijn (een idee, een klank, een principe, een procédé, een beeld), wat voegt de memetische verklaring dan toe aan de psychologische, sociologische, musicologische of technische verklaringen die we al hebben om onze cultuur te begrijpen? Het probleem is dat memen, anders dan genen, kennelijk verstoken zijn van een eigen empirische existentie. Een meem zou evengoed een metafoor kunnen zijn of een soort steno om culturele fenomenen te benoemen.

Maar zie, waar het gevaar het grootst is, blijkt de redding nabij – in het recente boek Omerta van de Leidse filosoof Th. C. W. Oudemans kwam ik een zinnige suggestie tegen die de prille memetica uit de brand zou kunnen helpen. Oudemans vindt de voorbeelden van Dawkins maar ‘slap’ en komt met een concreet alternatief: memen zijn te identificeren als de ‘Proto-Indo-Europese wortels van alle Indo-Europese talen’. De taal is volgens hem dus niet slechts een geleider van memen, maar memen bestaan zelf uit taal.

Bij wijze van voorbeeld noemt hij de stam ‘reg’, die op de meest uiteenlopende manieren ons woordgebruik is gaan bepalen na zich in een schier eindeloze reeks varianten te hebben vermenigvuldigd. Of zoals Oudemans het uitdrukt, in een zin die aan het Nationaal Dictee herinnert: ‘Wanneer Nederlanders in een regio onbekend zijn en de richting vragen, om correcte regels of directieven te krijgen uitgereikt voor de berekening van de rechte weg naar een regeringsgebouw, dan worden zij bewogen door de meem ‘reg’.

En daar blijft het niet bij. Tot dezelfde stam ‘reg’ herleidt Oudemans de ‘taal als verkeersmiddel’, evenals ‘het wezen van de techniek’. De vreemdheid die we soms in onszelf ervaren en die ons in onze wereld tegemoet kan treden, wordt zo gelijkgesteld aan de vreemdheid van de taal, die ons als een verzameling memen bespookt. Hoe zit dat precies? Welke stammen hebben nog meer als memen gefunctioneerd? En waar vinden we de woorden om dit alles te bevatten?

In een volgend hoofdstuk van Omerta fileert Oudemans op even hilarische als vernietigende wijze een onderzoeksprogramma (over ‘rationaliteit’) van zijn eigen faculteit. Het zal hem niet in dank zijn afgenomen. Maar heeft dan niemand gezien dat een paar bladzijden daarvóór het idee wordt geopperd voor een ander en beduidend origineler onderzoeksprogramma?