Wie maakt er eigenlijk geen ruzie in Jeruzalem?

Els van Diggele: Heilige ruzies.Christenen in Israël. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 318 blz. € 19,90

Op donderdag 20 maart j.l. raakte de 15-jarige Ami Ortiz ernstig gewond bij een aanslag in Ariel, een Israëlische nederzetting op de bezette Westelijke Jordaanoever. Ami vond een pakketje bij de voordeur van zijn ouderlijk huis en veronderstelde dat het een Poerim-cadeau was. Joden geven elkaar geschenken met Poerim. Toen hij het op de keukentafel openmaakte, ontplofte het. Ami Ortiz is de jongste zoon van David Ortiz, voorganger van een Messias-belijdende joodse gemeente, die in verband met zijn zendingsactiviteiten regelmatig bedreigd is door zowel radicale moslims als orthodoxe joden. De advocaat van de familie, Caley Myers liet, volgens het Nederlands Dagblad weten: ‘Deze gebeurtenis markeert de escalatie van aanvallen op Messiasbelijdende joden in Israël.’

De strijd om het ‘heilige land’ lijkt van een afstand gezien een conflict tussen territoriale aanspraken van Israëliërs en Palestijnen. In het boek Heilige ruzies van historica en journaliste Els van Diggele, die tien jaar in Jeruzalem woonde, is de werkelijkheid vele malen complexer.

Het heilige land is het toneel van voortdurende confrontaties tussen de drie grote monotheïstische religies (joden, christenen en moslims), waarvan de aanhang elkaar ook onderling naar het leven staat. Van Diggele concentreert zich in haar boek op de plaats van de christenen.

Na een historische inleiding begint ze met een bijna hilarisch verslag van de christelijke verdeeldheid, zoals die tot uitdrukking komt in het beheer van de Heilige Grafkerk in Jeruzalem. Grieks-orthodoxen, Syrisch-orthodoxen, Armeniërs, Kopten, katholieken en Ethiopiërs strijden met elkaar over die vraag wie waar zeggenschap heeft. De ruzie gaat soms om een plank of over een vloerkleed dat een paar centimeter te ver ligt. Geruchten, verdachtmakingen en hoog oplopende emoties leiden tot gevechten tijdens processies, waarbij de Israëlische politie moet ingrijpen.

Het ontstaan van de staat Israël in 1948 heeft onder evangelicale en fundamentalistische christenen in de VS en West-Europa geleid tot een christelijk zionisme, dat ervan uitgaat dat via een bekering van Israël het koninkrijk van God zal aanbreken. Sommigen van hen hebben zich in Israël en in de bezette gebieden gevestigd. Ze steunen de Groot-Israël gedachte en vinden dat niet-gelovige Israëliërs hun religieuze herkomst verloochenen. Officieel mogen ze sinds 1977 geen zending meer bedrijven, maar het liefst zouden ze het hele volk tot het christendom bekeren om zo de eindtijd dichterbij te brengen. Deze houding brengt hen niet alleen in conflict met de joodse orthodoxie, maar ook met de Palestijnse christenen, die veelal tot de traditionele kerken behoren.

Verder schetst Van Diggele onder meer een beeld van de 4.000 leden tellende Messiasbelijdende joodse minderheid, die Jezus als de beloofde verlosser ziet. Binnen die minderheid bestaat echter grote onenigheid over de vraag hoe men op een joodse manier christelijk kan zijn. Aan welke leefregels moet men zich houden en welke joodse feesten moet men vieren?

In het laatste hoofdstuk komt de uiterst complexe relatie tussen christenen en moslims in beeld, die dankzij het zich radicaliserende conflict tussen Israël en de Palestijnen alleen maar verder verslechtert. Moslims zien de vaak beter opgeleide, en dus modernere christenen in hun midden als representanten van het Westen. De afscheiding die Israël bouwt tussen het eigen territorium en de Palestijnse entiteit zet de tegenstellingen nogverder op scherp.

‘Het Heilige Land is een complexe wereld waarin geloof, hoop en liefde zijn vermengd met afgunst, achterdocht en jaloezie. Een wereld waarin elk probleem meerdere oorzaken heeft en ruzies niet gemakkelijk zijn bij te leggen.’ Dit is een weinig hoopvolle conclusie, stelt Van Diggele vast. Aan het slot van haar boek constateert ze dat het leven er desondanks gewoon doorgaat. Maar dat is dan ook het enige lichtpuntje.

Van Diggele heeft gekozen voor een journalistieke aanpak. Dat komt de levendigheid ten goede. Je ziet haar door het land trekken. Ze geeft beeldende beschrijvingen van de gesprekken die ze voert, maar die aanpak maakt de thematiek soms onoverzichtelijk. De veelheid van mensen die aan het woord komt, maakt dat je af en toe moet terugbladeren om te zien wie wie is. En theologische gezichtspunten worden niet echt uitgediept.

Wat het boek lezenswaardig maakt, is dat Van Diggele zowel journalistieke afstandelijkheid als grote betrokkenheid bij mensen aan de dag legt. En dat is een kenmerk van goede journalistiek.