Wie fantaseert is gek

Het idee dat getroebleerde mensen ongekend creatief zijn, is voor velen aantrekkelijk. Niet voor niets werden de verwarde pianoman die over een Brits strand dwaalde al snel briljante kwaliteiten toegedicht. Maar is er wel een verband tussen fantasie en mentale labiliteit, tussen genialiteit en gekte?

De briljante schilder Vincent van Gogh was aan het einde van zijn leven zo in de war dat hij van de terpentijn ging nippen. Filosoof Friedrich Nietzsche schreeuwde in zijn laatste decennium zoveel onzin uit, dat zijn biograaf noteerde dat zijn koetsier ‘gelukkig hardhorend’ was. Geniaal wiskundige John Nash sloeg een prachtig aanbod af van de universiteit van Chicago omdat hij verwachtte te worden gekroond tot keizer van Antarctica. Topschaker Bobby Fischer was een obsessieve antisemiet – terwijl hij joods was. En ex-neger Michael Jackson vereenzelvigt zich zo met Peter Pan dat hij zich voordoet als een klein, wit kind met een wipneus.

Wat bezielt deze mensen? Hun fantasie en creativiteit stelt hen in staat de meest memorabele prestaties te leveren, en tegelijkertijd zijn ze manisch-depressief, schizofreen of anderszins mentaal labiel. Bestaat er een verband tussen het een en het ander? Tussen fantasie en mentale labiliteit, tussen creativiteit en gestoordheid, tussen genialiteit en gekte?

We geloven het maar al te graag. Het idee van een getroebleerd mens die tegelijkertijd tot ongekende creatieve hoogtes reikt, vinden we onweerstaanbaar. Toen in 2005 in Groot-Brittannië op het strand een verwarde man werd aangehouden die voortdurend zweeg maar wel Het Zwanenmeer op de piano bleek te kunnen spelen, werden hem al snel briljante kwaliteiten toegedicht. Europese orkesten werden opgebeld met de vraag of een pianist werd vermist. Toen ‘the piano man’ het zwijgen verbrak, spatte de mythe uiteen. De Beierse boerenzoon Andreas speelde aardig, maar Mozart zou hij nooit worden

Onderzoek onderschrijft het verband tussen genialiteit en sommige mentale stoornissen. De Britse psychiater Felix Post stelde in 1994 een lijst samen met 291 namen van wereldberoemde wetenschappers, componisten, kunstenaars, schrijvers en denkers van wie wordt verondersteld dat zij kampten met een psychische stoornis: van Pavlov tot Wagner, van Hemingway tot Mendel, van Cézanne tot Kierkegaard. Jaren eerder, tijdens het interbellum, bestudeerde de Duitse psychiater Adele Juda het leven van 181 wetenschappers en 113 kunstenaars, en hun families. Haar conclusie: ernstige geestesziekten komen iets vaker voor in deze beroepsgroepen. Een milde vorm van schizofrenie kan creativiteit stimuleren. Wetenschappers presteren beter als ze behept zijn met een milde depressie, aldus Juda.

Toch is er geen keihard wetenschappelijk bewijs. De onderzoekspopulaties bij levende creatievelingen zijn te klein. En het diagnosticeren van de doden is wetenschappelijk riskant, zoals de uiteenlopende interpretaties van het ziektebeeld van mannen als Robert Schumann, Vincent van Gogh en Friedrich Nietzsche wel aantonen: de een houdt het op syfilis, de ander op epilepsie, weer een ander op een manisch-depressieve stoornis.

Vooral het verband tussen schizofrenie en creativiteit is omstreden. Hans Hovens, hoogleraar psychopathologie aan de Erasmus Universiteit: ‘Ik ken een firma die de kunst van schizofreniepatiënten sponsort. Een goed initiatief hoor, maar het is allemaal rommel. Heel weinig schizofrenen zijn in staat prachtige kunst te maken.’ Psychiater Don Linszen, als hoogleraar verbonden aan het Academisch Medisch Centrum, sluit zich bij hem aan: ‘Schizofrene psychoses tasten je werkgeheugen en je concentratievermogen aan. Je weet vaak niet eens dat je iets bedacht hebt.’ De psychoses werken ook door in de tussenliggende episoden, aldus Linszen. ‘Na elke psychose neemt het initiatiefverlies toe en kun je je minder herinneren. Je gevoelsleven vlakt af, je spreekt weinig en beleeft nauwelijks plezier.’

Schizofrenie lijkt dus juist dodelijk voor de creativiteit. Linszen kent één uitzondering: wiskundige John Nash, winnaar van de Nobelprijs én schizofreniepatiënt. Zijn verhaal werd verfilmd in het met Oscars bekroonde A Beautiful Mind. In de film is te zien hoe Nash probeerde chaos om te zetten in patronen. Zo vertaalde hij de ogenschijnlijk willekeurige bewegingen van duiven in wiskundige formules. ‘Zijn zoektocht naar betekenis had iets pre-psychotisch’, zegt Linszen. ‘In de fase vlak vóór een psychose verandert je zintuiglijke waarneming. Vanzelfsprekendheden krijgen een bijzondere betekenis. Als voor je een remlicht aangaat, stop je bijvoorbeeld niet meer automatisch. In plaats daarvan vraag je je af: wat doet dat licht daar?’ Geluiden gaan harder klinken en eigen gedachten hoor je hardop. Linszen: ‘Mensen proberen daar chocola van te maken. Dan komt het moment waarop ze bedenken: ik word achtervolgd. Dat inzicht komt altijd plots.’

Eenzelfde slag om de arm houden de psychiaters die zich uitlaten over het verband tussen creativiteit en een manisch-depressieve stoornis. Hovens noemt het verkondigen van een correlatie zelfs gevaarlijk. Hij ziet het al voor zich: een manisch-depressieve patiënt maakt eerst van zijn leven een rotzooi om vervolgens te weigeren in therapie te gaan omdat dan zijn genialiteit zou verdwijnen. Hovens: ‘Ik genees die patiënt liever.’

‘Inderdaad, keihard bewijs ontbreekt’, zegt ook Willem Nolen, hoogleraar psychiatrie aan het Universitair Medisch Centrum in Groningen. ‘Toch lijkt het er sterk op dat een verband tussen een manisch-depressieve stoornis en creativiteit wel degelijk bestaat.’ Eind februari sprak Nolen over het thema tijdens een Studium Generale-college in Rotterdam. Zijn visie stond op de laatste powerpointslide: ‘Psychiatrische stoornissen zijn tijdens de ziekte-episoden geen bron voor creativiteit, maar kunnen dat buiten de ziekte-episoden wel zijn, door lichte of subklinische symptomen.’

Met ‘lichte of subklinische symptomen’ doelt hij onder meer op hypomanie: een lichte vorm van manische opgewektheid die voorkomt bij patiënten met een manische-depressieve stoornis. Symptomen van hypomanie zijn verhoogde energie, een grotere gedachtenstroom en een aanstekelijk optimisme. Nolen: ‘Hypomanie fungeert als een vergrootglas. Talenten worden uitvergroot. Die periode kan leiden tot verhoogde productiviteit en genialiteit.’ Hypomanie gaat ook gepaard met een zendingsdrang, aldus psychiater Linszen. ‘Je denkt: ik heb een opdracht. Of: ik ben een waanzinnig goed schrijver of componist. En het mooie is dat dat soms nog klopt ook.’ Het gold bijvoorbeeld voor Robert Schumann, zoals Nolen in zijn presentatie liet zien. Een staafdiagram toonde het aantal composities van Schumann per jaar. Van 1833 tot 1839 en van 1842 tot 1848 was hij ernstig depressief en bracht hij nauwelijks iets voort. Maar tussen die depressies in zaten twee topjaren vol nieuwe composities. Hypomanie aan het werk, aldus Nolen.

Marlies ter Borg (59) is bekend met de vruchtbaarheid van hypomanie. In 2004 publiceerde zij Bloemen van een Ziekte, een autobiografisch boek over creativiteit en manische-depressie. Ze lijdt aan een bipolaire stoornis type II, waarbij zware depressies en hypomane fases elkaar afwisselen. ‘Als ik hypomaan ben, moet ik uitkijken dat ik niet te vroeg opsta. In therapie heb ik geleerd langer in bed te blijven liggen. Als ik dan eindelijk mag opstaan, ga ik aan de slag.’ Ter Borgs hypomanie heeft gevolgen gehad tot in Rusland. Na het einde van de Koude Oorlog heeft zij in de buurt van Moskou huizen laten bouwen voor Russische soldaten die terugkeerden uit Oost-Europa. ‘Ik moest daar topprioriteit aan geven’, zegt Ter Borg lachend. ‘Het ging immers om de wereldvrede!’

Haar eigen ervaringen herkende zij terug in teksten van Aristoteles, in het werk van dichters als Goethe en in de levensverhalen van Virginia Woolf en Winston Churchill. De mix van zwartgalligheid en genialiteit in die verhalen trof haar. ‘Wisselende stemmingen komen van pas als je iets creëert’, zegt Ter Borg. Een lichte depressie ziet zij als een afbraakfase: men twijfelt aan zijn oude gewoonten, staat open voor onaangename waarheden en neemt afstand van de peer group die sociale controle uitoefent. In de hypomane periode is er vervolgens ruimte ontstaan voor nieuwe ideeën. Ter Borg: ‘Eerst wordt het oude gebouw neergehaald, dan wordt het nieuwe opgebouwd.’ In de hypomane fase schreef ze grote delen van haar boek. ‘Ik schrijf dan als in een flow. Het denken stokt nergens, de zinnen vloeien. En ik durf alles omdat ik denk: de wereld vindt dit fantastisch.’ Een beginnende depressie hielp haar om kritisch naar haar werk te kijken en het bij te schaven. ‘Maar als de zware depressie komt, staan je hersens zo goed als stil’, zegt Ter Borg. Ze wilde haar bed niet uitkomen, was angstig, voelde zich waardeloos. ‘Je wilt dood, eigenlijk.

Hypomanie ontaardt bij sommigen juist in pure manie, zegt Nolen. Hij vertelt over een patiënt die tegelijkertijd een politieke partij en een ontwerpbureau wilde starten. ‘Zodra de ideeën of activiteiten tot problemen in het functioneren leiden, weet je dat het een manie is.’ De Amerikaanse hoogleraar psychiatrie Kay Redfield Jamison, internationaal gewaardeerd en zelf manisch-depressief, bedacht in een van haar manische episodes dat ze Los Angeles moest redden van een slangenplaag. Bij elke apotheek in de stad kocht ze de hele voorraad tegengif in. De slangenplaag bleek denkbeeldig, haar faillissement niet. ‘Als je hypomanie doorschiet naar een manie, is het over’, zegt ook hoogleraar psychopathologie Hovens. Hij noemt een onderzoek naar de werkdrift van schrijfster Virginia Woolf: ‘In haar dagboek wordt een sterke toename van schrijfsels geconstateerd. Maar haar verhalen werden steeds warriger. Tot ze niets meer maakte.’

Pas als de hersenen weer bij zinnen komen, kan de creativiteit opbloeien, zo lijkt het. Ter Borg: ‘Als ik een depressie achter me heb gelaten, voel ik me fantastisch. Dan hoor ik de vogels weer fluiten.'