‘Success story’ van een gettojood

In Voorbij de Blauwbrug reconstrueert Joosje Lakmaker het leven van haar grootvader.

De geschiedenis komt dichterbij dankzij het persoonlijke karakter ervan.

Voorbij de Blauwbrug is een familieportret van uit de armoede en ellende omhoog krabbelende, idealistische, met een vooruitgangsgeloof bezielde Amsterdamse joden gedurende de eerste helft van de 20ste eeuw. De bijna paradoxale kracht van dit verhaal is, dat je al lezend geneigd bent te vergeten welke doem er over hangt.

De afloop is bekend – uit de stambomen voorin het boek blijkt dat vrijwel alle leden van de familie door de nazi’s zijn omgebracht. Vrome Amsterdamse joden waren zij, sloebers uit het getto achter de Blauwbrug. Een aantal van hen had het geloof ingeruild voor het socialisme en zich op eigen kracht geëmancipeerd.

Leman Lakmaker, grootvader van de schrijfster, is een toonbeeld van idealisme en optimisme. Een man die woekerde met zijn talent en veel heeft bereikt. Joosje Lakmaker slaagt er in het leven van haar grootvader, diens familie, en vrienden niet te reduceren tot hun deportatie naar en dood in de concentratiekampen van de nazi’s.

Die afloop heeft echter wel het leven bepaald van Lemans zoon. Op 2 juni 1991 pleegde Hans Lakmaker, huisarts te Amsterdam, zelfmoord. Hij was bijna 65, zijn oudste dochter Joosje 41. Hij liet niets na, geen briefje, geen verklaring. Joosje Lakmaker vertelt dat er thuis nooit over de familie van haar vader werd gesproken. ‘We wisten dat zijn ouders en broer niet waren teruggekomen, zoals de uitdrukking luidt.’ Wat er precies met Hans’ ouders en zijn talrijke broers en zusters was gebeurd en hoe hij zelf had overleefd, dat bleef na zijn dood een duistere erfenis waar de schrijfster licht op heeft willen werpen.

In een uiterst beheerste, zelfs zakelijke stijl gaat Lakmaker de gangen na van haar grootvader Leman (Amsterdam 1885–Auschwitz 1942). Zijn ouders waren analfabeet, zijn oudere broer Jaap raakte blind als gevolg van trachoom, een oogziekte die als gevolg van een gebrek aan hygiëne alleen in de overbevolkte, armoedige Amsterdamse jodenbuurt voorkwam. Aan de hand van Lemans ontwikkeling wordt het pijlsnelle emancipatieproces van het joodse lompenproletariaat in het interbellum inzichtelijk. In grote lijnen volgt Voorbij de Blauwbrug de geschiedenis die we kennen uit de verhalen van Sam de Wolff, Meyer Sluizer en vele anderen. We weten dat de SDAP, de Diamantbewerkers Bond van Henri Polak, linkse jeugdorganisaties en idealistische onderwijzers de kansarme kinderen kansen boden – die ze natuurlijk wél moesten grijpen. Die geschiedenis komt hier dichterbij dankzij het persoonlijke karakter ervan.

En passant wordt duidelijk dat het loskomen uit het joodse milieu geen sinecure was, de familie accepteerde geen geloofsafval. En als het de familie niet was die een uitbraak uit het getto tegenwerkte, dan was er altijd nog de antisemitische buitenwereld die er een stokje voor wilde steken. Bijna terloops laat Joosje Lakmaker antisemitische incidenten de revue passeren, zoals een rel in 1912 toen café-restaurant Trianon aan het Leidseplein, dubbele prijzen rekende aan mensen die er joods uitzagen, dit om ‘ongewenst publiek’ te weren.

Leman Lakmaker, inmiddels getrouwd met Fie Voorzanger, een meisje dat hij had leren kennen in de door Henriette Roland Holst opgerichte jeugdbond De Zaaier, mengde zich niet in dergelijke kwesties. Evenals zijn politieke vrienden Philip Mechanicus, Philip van Praag en Wim van Norden had hij zich losgemaakt uit het in eigen ogen ‘achterlijke, middeleeuwse geloof’. Zij noemden zich geen joden meer, maar socialisten.

Voor Leman betekende het socialisme alles. Het bracht hem in contact met de wereldliteratuur die hem er toe aanzette op eigen houtje Frans, Duits en Engels te leren en dat leverde hem een baan op bij de idealistische uitgeverij De Wereldbibliotheek. Het is ontroerend dat Voorbij de Blauwbrug uitgerekend bij deze uitgeverij is verschenen. Aan de Wereldbibliotheek, opgericht door Leo Simons die zich eveneens van het joodse geloof had losgemaakt, had Leman evenveel te danken als aan de SDAP.

Zijn liefde voor de Wereldbibliotheek duurde zijn leven lang, die voor de weinig standvastige SDAP niet. Liefhebbers van sociale en politieke geschiedenis kunnen hun hart ophalen aan alle verwikkelingen binnen de linkse beweging aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Het is er Joosje Lakmaker duidelijk niet om te doen geweest haar grootvader belangrijker of beter te maken dan hij was. Ze laat ook zijn zwakheden zien, zoals zijn aan zelfoverschatting grenzende ambitie, maar ondanks dat klinkt er onverholen trots door op deze gettojood die zich tegen de klippen op emancipeerde. Eigenlijk een echte success story.

Des te harder komen de onontkoombare laatste hoofdstukken aan. Leman en Fie Lakmaker weigeren tijdens de bezetting een jodenster te dragen, ze voelen zich immers geen joden. Ze hebben hun zoons Bert en Hans zonder religie opgevoed, hun gehandicapte dochter toevertrouwd aan een christelijke verpleeginrichting en zijn niet van plan zich te laten terugduwen in welk hok dan ook. Uiteindelijk duiken ze onder. Leman, Fie en hun zoon Bert worden slachtoffer van verraad, Hans, blijkens een felicitatiekaartje van Etty Hillesum net geslaagd voor zijn kandidaatsexamen geneeskunde, ontsnapt daar op het nippertje aan.

Hans heeft tot 1991 geprobeerd als mens te leven, zoals zijn ouders hem hadden opgevoed, totdat hij dat niet meer kon opbrengen. ‘Hans Lakmaker’, aldus zijn dochter, ‘groeide niet op in een joodse wereld. Het jodendom zei hem niets. Hij groeide op in een milieu waar ten diepste geloofd werd in gelijkheid van mensen, ongeacht hun herkomst.’ Enigszins bitter stelt de schrijfster vast dat er van dat geloof weinig terecht is gekomen. ‘Hans overleefde door zijn joodse identiteit te verbergen, een identiteit waaraan hij nooit enige positieve betekenis had ontleend.’

Op het eerste gezicht past Voorbij de Blauwbrug in een trend die is ingezet door Geert Mak met De eeuw van mijn vader, een particulier familieverhaal aan de hand waarvan de vaderlandse geschiedenis als het ware wordt gepersonifieerd. Een recent ander voorbeeld van een dergelijk aanpak is Het pauperparadijs van Suzanna Jansen. Het relaas van Joosje Lakmaker onderscheidt zich niet alleen door de dramatische afloop ervan, maar ook door wat het vertelt over emancipatie en integratie. Maar voor alles is het een daad van gerechtigheid dat de dochter van Hans Lakmaker het zwijgen van haar vader heeft doorbroken, door zijn én haar familie een plaats in de geschiedenis te geven.

Joosje Lakmaker: Voorbij de Blauwbrug. Het verhaal van mijn joodse grootvader. Wereld-bibliotheek, 319 blz. € 19,90