Sterven of zegevieren

Knerg de Ongenaakbare probeerde met zijn alom gevreesde rechtervuist de steek in zijn zij weg te drukken. Het hielp maar een beetje en hij moest voortmaken. Leunend tegen de dichtstbijzijnde boom klapte hij even dubbel en haalde diep adem. Het zwaard dat hij op zijn rug droeg, schoof langs zijn schouder. De steek in zijn zij werd minder. Knerg kwam weer omhoog en speurde de omgeving af. Nog nahijgend veegde hij het haar uit zijn ogen, zette zijn helm recht en liet een hoge, klokkende roep door het woud schallen. Vanuit de verte bereikte hem hetzelfde hoge, klokkende geluid als hij had gemaakt. Niet vragend, zoals zijn lokroep was geweest, maar bevestigend. Hij opende zijn ogen weer en hees zijn zwaard recht. Oostwaarts. Hij moest oostwaarts gaan. Dravend vervolgde hij zijn weg. Over een paar mijl zou hij het pad moeten verlaten en de aangeharkte weg moeten inruilen voor de wildernis. Hij tastte in zijn buidel, waar een dozijn vuurballen wachtte om in de strijd geworpen te worden. Zijn dolk zat nog stevig vast aan zijn riem. Hij was voldoende bewapend om aanvallen die hij op zijn tocht naar het Beraad mogelijk zou tegenkomen af te kunnen weren. Voor het verdere verloop van de queeste zou hij zich op het Beraad moeten herbewapenen. Hij grinnikte. Flulf de Wijze had het Reisgezelschap bijeengeroepen om samen het bergmonster Golgodim op te zoeken en met vereende krachten uit te schakelen.

Na een scherpe bocht in de weg hield Knerg de Ongenaakbare halt. Hier moest hij van het pad wijken en de wildernis in treden. Hij tuurde het woud in, maar zijn blik reikte door de dichte bebossing en wildgroei aan planten en bloemen niet ver. Het was er veel donkerder dan op het pad en er leek een naargeestige mist tussen de bomen te hangen. Knerg trok de routebeschrijving uit zijn buidel en bestudeerde het stuk perkament. De aanwijzingen lieten niets te raden over: hier moest hij van het gebaande pad afwijken. De mist en duisternis waren waarschijnlijk niet meer dan een magisch trucje van Flulf de Wijze om pottenkijkers buiten te houden. Voor de zekerheid trok Knerg toch de dolk uit zijn foedraal en luisterde. De absolute stilte baarde hem enige zorgen.

Juist toen hij zover in de wildernis was doorgedrongen dat de klamme duisternis bijna zo dwingend was als in het holst van de nacht, begon de atmosfeer op te klaren. Knerg tuurde door de dichtheid van het bos heen en meende in de verte een lichter gebied te kunnen onderscheiden. Dat moest de open plek zijn die Flulf in zijn routebeschrijving had aangegeven. Knerg zette er de vaart in, met zijn zwaard zichzelf een pad slaand door de weelderige begroeiing. Toen hij de open plek genaderd was, minderde hij vaart. Hij voelde dat er iets niet in de haak was. Duidelijk kon hij de stemmen van de leden van het Reisgezelschap onderscheiden, maar ze waren gedempter dan hij gewend was. Het Beraad was gewoonlijk een uitgelaten en luidruchtig weerzien van oude vrienden, rivalen en bekenden. Ze waren als een familie geworden, met alle onderlinge vetes en onvoorwaardelijke liefde van dien. Maar dit klonk geenszins als zijn Reisgezelschap op het punt om op een queeste te gaan. Geruisloos en op zijn hoede sloop Knerg naar de rand van de open plek en verschool zich achter een rododendron. Voorzichtig schoof hij met zijn arm een tak omlaag, zodat hij door de struik heen de open plek kon overzien. Hij zag zijn vrienden als verslagen in een kluitje bij elkaar zitten. Maar zij waren niet alleen. Te midden van het kluitje gevallen helden verhief zich de gruwelijke gestalte van Golgodim, het bergmonster. Het werd Knerg koud om het hart. ‘Ga gewoon naar huis, joh’, hoorde hij Armeniël zeggen. Armeniël, de snelste, vingervlugste en mooiste dievegge aan deze zijde van de Rahirmark. Hij slikte. Niet zij. Golgodim mocht het hele Reisgezelschap tot zijn eeuwige mijnslaven maken, maar hij mocht háár niet te pakken krijgen. Hij moest ingrijpen. Vechten tot hij erbij neerviel. Alles om Armeniël en zijn vrienden uit de hypnotiserende macht van Golgodim te bevrijden. Zijn rechterhand tastte in de buidel, waar hij drie vuurballen uit viste. Een paar tellen gaf hij zichzelf de tijd om naar zijn knokkels te staren, die wit waren weggetrokken. Het was tijd. Zijn uur was daar. Nu moest hij zich bewijzen. Sterven of zegevieren, een tussenweg was er niet. Voor Armeniël.

‘VOOR TRIADA!’, brulde hij uit alle macht, terwijl hij met een geheven zwaard in zijn ene, en de vuurballen in zijn andere hand over de open plek richting Golgodim rende. Toen hij dicht genoeg genaderd was, lanceerde Knerg de Ongenaakbare zijn munitie.

‘Vuurbal! Vuurbal! Vuurbal!’ Hij reikte weer in zijn buidel voor nieuwe ballen en mikte ook die in het rode, gezwollen gezicht van het bergmonster. Die keek geschrokken op, maar leek niet zeer gedeerd te zijn door de aanval. Knerg vuurde drie nieuwe ballen op hem af.

‘Hé, kappen nou!’, riep Frollo, de olijke dwerg. Zelfs Frollo, de opgewekte lolbroek van het gezelschap, was bijna onherkenbaar geworden. Zijn gewoonlijk glanzende kraaloogjes waren dof, zijn schallende schaterlach leek verder weg dan ooit. Knerg reikte naar drie nieuwe vuurballen. Als die hun effect niet zouden hebben, kon zijn zwaard altijd nog uitkomst bieden. Na zijn zwaard, niets dan de dood.

‘Nou! Hé! Hou nou eens op met die pingpongballen van je. Echt, kappen nou! We zijn allang gestopt, hoor.’ Armeniël keek hem verwijtend aan. Ze ging voort: ‘Siemens moeder belde hem net. Zijn oma is vanmorgen doodgegaan. Dus hij moet nu naar huis en dan door naar zijn dode oma in Loosdrecht.’ Armeniël pakte haar boog en pijlkoker van de grond en legde haar hand op Golgodims hoofd. ‘Kom. Ik loop wel met je mee naar huis’, zei ze, terwijl ze hem uit zijn kleermakerszit omhoog hielp, ‘En ik draag je knuppel wel.’ Knerg keek machteloos toe hoe ze haar arm om het monster heen legde en hem over de open plek richting de bebossing begeleidde. Ook Flulf stond op van de boomstronk waar hij op had gezeten, en liep achter Armeniël aan, gevolgd door Viggolas, Bròm, Ruger, Valeriël, Zworg en Frollo. De dwerg draaide zich bij de bosrand nog éénmaal om. ‘We hebben woensdagmiddag weer afgesproken. Ben je er dan ook bij?’

Knerg knikte naar Frollo, en zakte verslagen neer op de boomstronk waar seconden eerder Flulf de Wijze nog op gezeteld had. Weg waren ze. Golgodim had ze in zijn macht en zou zich niet door een paar vuurballen laten tegenhouden. Hij had de strijd te licht opgevat. Maar hij zou niet opgeven. Zijn vrienden rekenden op hem om hen uit de klauwen van het Kwaad te bevrijden. Later zouden ze hun kleinkinderen bij het haardvuur vertellen over deze epische episode uit hun leven. Knerg de Ongenaakbare raapte zijn zwaard van de grond en stond op. Het was tijd. Deze ronde had het Kwaad overwonnen, maar de volgende slag was aan hem. Sterven of zegevieren, een tussenweg was er niet. Met geheven zwaard draafde hij het bos weer in.

Wiegertje Postma (1987) publiceerde eind 2006 haar eerste boek, de streekbusroman Vijf Strippen. Ze was jarenlang columnist bij het jongerenmagazine Spunk. Voor next.one schreef zij dit korte verhaal.