Opgevist

‘Geen gezaag of ik bijt je kop af’, begroette hij mij. Hij had om hulp gekrijst, het leek alsof hij verdronk. Ik had de goudvis opgevist en gered.

‘Saskia’, stelde ik mij voor.

‘Ik ben, ik ben, James, ben ik, James’, zei hij. Die herhaling kwam door het rondjes draaien.

‘James zegt dat je altijd beleefd moet zijn tegen vrouwen’, zei ik.

‘Dat heb ik niet gezegd!’

‘James Brown, idioot’, antwoordde ik.

Ik keek naar zijn stuiptrekkingen, een typisch verschijnsel bij mens en dier als ze afkicken van het leven.

Hij was lelijk.

Verward, zei hij zelf. Onlangs had hij de huwelijksboot afgehouden, meer nog: hij had de boot weggeduwd, zijn vriendin aan boord. Maar de vriendin keerde levend en met veel zin in ruzie terug. Nu ze geen relatie meer had, verveelde ze zich. Ze nodigde James voortdurend uit om te praten over de verdeling van hun gemeenschappelijke vrienden, haar hardnekkige schubbenschimmel en het verdere verloop van hun niet-relatie. Ook verbood ze James om blij te zijn omdat zij een nieuwe baan gevonden had, want zij hadden toch niets meer met elkaar te maken. Het was altijd al onmogelijk geweest om met haar te praten. Daarom had hij haar in de boot gedumpt. Steeds had ze hem in verwarring gebracht. Om maar één voorbeeld te geven: op een nacht toen ze terugkeerden van de aquarobics, klom zij op hun grot, trok voor de lol enkele stekels uit een slapende zee-egel en doorprikte een plofvis.

‘Dat mag jij niet doen!’, riep hij. Ze hield op. Hij klom op het dak, brak een stekel van de slaapogige zee-egel en slingerde die naar een verre plofvis.

‘Wat doe jij nu’, zei zij, ‘jij zegt net dat ik dat niet mag doen.’ ‘Juist, jij mag dat niet’, riep hij over de ontploffingsknal heen, ‘maar ik wel. Ik ben toch niet jij!’ ‘En dat’, zei James nu, kwijlend van woede, ‘dat begreep zij niet, dat ik niet jij ben! Bij haar kon IK van de ene seconde op de andere iemand anders zijn, terwijl IK toch gewoon IK ben. Dan zei ze: IK ben nog niet klaargekomen terwijl IK net de hele boel ondergespoten had.’ Als je zo begon, vond James, werd het leven wel een heel verwarrende bedoening. En dus had hij haar gedumpt in een bootje, hij werd zot van haar.

En waarom hij verdomme uit het water was gevist, wilde James nog weten. Vissen woonden in bokalen. Ze werden geboren uit plastieken schepnetjes die uit de waterhemel vielen. Ooit was het akelige gerucht verspreid dat ze vrijgelaten zouden worden uit de bokaal. En toen gebeurde wat gebeurt bij vakanties of na bevallingen: het regende depressies. De vissen konden zich niets voorstellen bij een bevrijding en dus stortten de koolvissen zich te pletter tot vispaté tegen de glazen wanden, en verhingen de palingen zich in het plastieken, groene wier.

‘Waarom ben ik opgevist? Ik kan mij enkel verplaatsen in water’, bleef James jammeren. ‘Haal mij uit mijn bokaal of uit mijn hoofd en ik ga dood.’

‘Geen gezaag’, zei ik, ‘of IK bijt je kop er af en dan ben JIJ niet blij.’ Zijn oranje snuit verbleekte tot lichtgeel.

‘Euh’, reutelde hij, en zijn oogjes werden dof, ‘JIJ bent al een even erge trut als zij.

(Voor de tussenhakenlezer: fantasie veronderstelt een geoliede geest die zich in een ander standpunt kan verplaatsen. Een zalm bijvoorbeeld, heeft veel omega-3-olie, en bijgevolg ook fantasie. Hij slaagt er wél in zich in het hoofd van een ander te verplaatsen. Vaak via de mond.)